9.1 Bladeren | Invuloefening

Een blad bestaat uit verschillende soorten met elk hun eigen taak. De buitenste laag heet de , die bestaat uit aaneengesloten cellen met een dun . Deze laag beschermt het blad tegen waterverlies en ziekteverwekkers. In de opperhuid liggen waardoor gassen, zoals koolstofdioxide en zuurstof, kunnen worden uitgewisseld. Ze worden geopend en gesloten door , die van vorm veranderen afhankelijk van de hoeveelheid water in de cellen.


Binnenin het blad ligt het bladgroenweefsel, waarin zitten. In deze korrels vindt plaats: hierbij worden koolstofdioxide en omgezet in glucose en . Voor dit proces zijn (zon)licht en een geschikte temperatuur nodig. De glucose wordt door de plant gebruikt als en als grondstof voor andere stoffen.


Door het blad lopen die water en opgeloste stoffen vervoeren. In de bladeren vertakken de vaatbundels zich in , zodat water overal in het blad kan komen. De stevigheid van een blad hangt af van de hoeveelheid water in de van de cellen. Wanneer de plant te veel water verliest, neemt de af en verliest het blad zijn stevigheid. Door opnieuw water op te nemen, kan de plant weer rechtop komen te staan.

Score: 0 van de 1 goed (0%)