7.1 De mens en het milieu | Test jezelf Resultaat Probeer opnieuw 1. Waarvoor heeft de mens zuurstof nodig? A. Voor de ademhaling B. Voor verbranding in fabrieken C. Voor energieopslag D. Voor fotosynthese 2. Waar haalt de mens vooral water vandaan? A. Uit de lucht B. Uit de bodem en rivieren C. Uit planten D. Uit fabrieken 3. Wat is een belangrijke bron van voedsel voor de mens? A. Water maakt voedsel B. Dieren maken voedsel C. Planten maken voedsel D. De zon maakt voedsel 4. Wat zijn fossiele brandstoffen? A. Hout en planten B. Wind en zon C. Water en lucht D. Aardgas, olie en steenkool 5. Wat zijn grondstoffen? A. Materialen die uit de natuur worden gehaald B. Stoffen die alleen in fabrieken voorkomen C. Stoffen die niet hergebruikt kunnen worden D. Stoffen die alleen uit water komen 6. Wat betekent recreatie in het milieu? A. Natuur beschermen B. Ontspanning in de natuur C. Werken in de natuur D. Energie opwekken 7. Wat betekent vervuiling? A. Het herstellen van ecosystemen B. Het beschermen van natuur C. Het toevoegen van schadelijke stoffen aan het milieu D. Het verwijderen van stoffen uit het milieu 8. Wat is uitputting? A. Het herstellen van grondstoffen B. Het bouwen van steden C. Het toevoegen van stoffen D. Het te veel onttrekken van grondstoffen 9. Wanneer komt smog vaak voor? A. In de zomer bij warm en windstil weer B. Alleen in de nacht C. Tijdens regen D. In de winter bij vorst 10. Wat is fijnstof? A. Grote stofdeeltjes B. Kleine onzichtbare stofdeeltjes in de lucht C. Alleen zand D. Waterdruppels 11. Wat gebeurt er als we veel grondstoffen gebruiken? A. Er ontstaat minder afval B. Er komt meer natuur C. Het milieu raakt uitgeput D. Het klimaat verbetert 12. Wat zijn broeikasgassen? A. Gassen die planten vernietigen B. Gassen die zuurstof maken C. Gassen die water maken D. Gassen die de aarde opwarmen 13. Wat is een gevolg van klimaatverandering? A. Extreme weersomstandigheden B. Minder seizoenen C. Minder wind D. Minder zon 14. Wat betekent biodiversiteit? A. De hoeveelheid water B. De variatie aan planten- en diersoorten C. Het aantal mensen D. Het aantal steden 15. Waarom zijn bijen belangrijk? A. Ze maken water B. Ze maken zuurstof C. Ze zorgen voor bestuiving D. Ze produceren energie 16. Wat is een gevolg van ontbossing? A. Minder landbouw B. Minder koolstofdioxide C. Meer zuurstof D. Meer koolstofdioxide in de lucht 17. Wat is duurzame ontwikkeling? A. Leven zonder de aarde te veel te belasten B. Alleen economische groei C. Alleen natuur beschermen D. Meer energie gebruiken 18. Wat is een voorbeeld van duurzame energie? A. Olie B. Windenergie C. Aardgas D. Steenkool 19. Wat gebeurt er als afval in de bodem komt? A. Het maakt de bodem sterker B. Het verdwijnt direct C. Het kan in het drinkwater terechtkomen D. Het wordt voedsel 20. Wat kan er gebeuren als planten giftige stoffen opnemen? A. Meer zuurstof ontstaat B. Planten groeien sneller C. Niets D. Stoffen komen in de voedselketen Vorige Volgende Controleer antwoorden