6.6 Aanpassingen bij planten | Uitlegfilm

Planten leven in verschillende omgevingen en hebben daarvoor allerlei aanpassingen ontwikkeld. Net als bij dieren zorgen deze aanpassingen ervoor dat de overlevingskans zo groot mogelijk is. In deze uitleg kijken we hoe planten omgaan met droge omstandigheden, natte omgevingen en verschillen in licht.

Aanpassingen van planten in droge omgevingen

Planten die in een droge omgeving leven, moeten vooral voorkomen dat ze water verliezen. Daarom hebben ze vaak uitgebreide wortelstelsels waarmee ze zoveel mogelijk water opnemen uit de bodem.

Daarnaast zorgen ze ervoor dat ze het opgenomen water goed vasthouden. Zo hebben sommige planten, zoals cactussen, stekels in plaats van bladeren. Hierdoor worden ze minder snel opgegeten door dieren en verliezen ze minder water.

Ook de huidmondjes zijn aangepast. Dit zijn openingen in het blad waardoor water kan verdampen. In droge omstandigheden zitten deze huidmondjes vaak aan de onderkant van het blad en zijn ze overdag gesloten. Daardoor gaat er minder water verloren.

Verder hebben deze planten vaak een dikke waslaag of kleine haartjes op hun bladeren. Dit helpt om verdamping te verminderen en zo water te besparen.

Aanpassingen van waterplanten

Planten die in of op het water leven, hebben juist andere aanpassingen. Een voorbeeld is de waterlelie. De bladeren drijven op het water, zodat ze voldoende licht krijgen voor fotosynthese.

In de stengel van een waterlelie zitten luchtkanaaltjes. Daardoor kan zuurstof van boven naar de onderwaterdelen worden vervoerd. Dit is nodig voor de verbranding in de plant.

Andere waterplanten, zoals waterpest, leven volledig onder water. Zij nemen zuurstof direct op uit het water en hebben geen luchtkanaaltjes nodig. Ook hebben veel waterplanten geen stevige stengel of uitgebreide wortels, omdat het water hen ondersteunt.

Het water geeft namelijk stevigheid, waardoor deze planten rechtop kunnen blijven zonder sterke bouw.

Zonplanten en schaduwplanten

Niet alleen water, maar ook licht is belangrijk voor planten. Licht is een abiotische factor die invloed heeft op de overlevingskans. Daarom bestaan er zonplanten en schaduwplanten.

Schaduwplanten, zoals varens, hebben weinig licht nodig. Ze bereiken hun optimale groei al bij een lage lichtintensiteit. Daarom groeien ze vaak op de bosbodem, waar weinig zonlicht komt.

Zonplanten, zoals rozen, hebben juist veel licht nodig om goed te groeien. Hun optimum ligt bij een hogere lichtintensiteit. Daarom vind je ze vaak op zonnige plekken, bijvoorbeeld tegen een warme muur op het zuiden.

Met een optimumkromme kun je laten zien hoe goed een plant groeit bij verschillende hoeveelheden licht. Zo wordt duidelijk dat verschillende planten aangepast zijn aan verschillende lichtomstandigheden.

Klimplanten en licht

Sommige planten, zoals klimop, groeien omhoog langs bomen of muren. Dit doen ze omdat ze meer licht willen bereiken. Hoe hoger ze groeien, hoe groter de kans op voldoende licht voor fotosynthese.

Op de bodem van een bos is weinig licht beschikbaar. Door omhoog te klimmen vergroten deze planten dus hun overlevingskans.

Samenvattend kun je zeggen dat alle aanpassingen van planten gericht zijn op één doel: het vergroten van de kans om te overleven in hun specifieke omgeving.