6.5 Langs de kust Samenvatting
Hoe ontstaan eb en vloed?
De waterstand aan zee verandert voortdurend. Twee keer per dag stijgt het water tot hoogwater en daalt het weer naar laagwater. Het stijgen heet vloed, het dalen eb. Deze wisseling noemen we het getij. Dit gebeurt door de aantrekkingskracht van de maan: die trekt het zeewater een beetje naar zich toe, waardoor er aan twee kanten van de aarde een 'waterberg' ontstaat. Omdat de aarde draait, schuiven die waterbergen langs de kust, waardoor het water stijgt en daalt.
Wat leeft er tussen eb en vloed?
In het getijdengebied tussen hoog- en laagwaterlijn zijn de omstandigheden extreem. Het wad is daar een goed voorbeeld van. Planten hebben er geen schuilplek en dieren leven vaak in de bodem. In het water zweven fytoplankton, piepkleine plantjes, die het voedsel vormen voor zoöplankton, kleine diertjes. Schelpdieren zoals mosselen en kokkels filteren deze plankton uit het water. Zij zijn op hun beurt voedsel voor vogels zoals de eidereend. Zo ontstaat een voedselketen waarin elke laag afhankelijk is van de laag eronder.
Wat doen organismen met te veel zout?
Langs de kust is de omgeving vaak erg zout. Planten zoals zeekraal en lamsoor hebben speciale aanpassingen om hiermee om te gaan. Zeekraal slaat zout op in oude bladeren die later afvallen. Lamsoor scheidt zout uit via klieren in de bladeren. Ook vogels zoals de eidereend zijn aangepast. Ze hebben klieren waarmee ze zout uitscheiden, zodat ze minder water hoeven te verliezen. Organismen die goed tegen zout kunnen, noem je tolerant voor zout.
Hoe ontstaan de duinen?
Op het strand waait veel zand weg, maar blijft soms liggen achter obstakels. Hier kan biestarwegras groeien, een pioniersplant die tegen zout en droogte kan. De wortels houden het zand vast en zo ontstaat een duin. Later groeit helmgras, dat het duin verder verstevigt. Uiteindelijk komen er meer planten, zoals duindoorn, en ontstaan er struiken en bomen. Deze ontwikkeling, van kale grond tot een stabiel bos, noem je successie. Het eindstadium, waarin een evenwichtig bos is ontstaan, heet het climaxstadium.
Woordenlijst
- Aanpassingen: Eigenschappen waarmee organismen kunnen overleven in moeilijke omstandigheden, zoals veel zout.
- Climaxstadium: Eindstadium van de ontwikkeling waarbij een stabiel bos is ontstaan.
- Eb: Het dalen van het zeewater waardoor de zee zich terugtrekt.
- Fytoplankton: Microscopisch kleine plantjes die in zeewater leven.
- Getij: Afwisseling van eb en vloed die twee keer per dag voorkomt.
- Getijdengebied: Gebied tussen de hoogwaterlijn en de laagwaterlijn waar extreme omstandigheden heersen.
- Hoogwater: Moment waarop de waterstand in zee het hoogst is.
- Laagwater: Moment waarop de waterstand in zee het laagst is.
- Pioniersplant: Eerste plantensoort die in een gebied kan groeien en tegen moeilijke omstandigheden kan.
- Successie: Ontwikkeling van een gebied van pioniersplanten tot het climaxstadium.
- Tolerant: Goed tegen een bepaalde abiotische factor kunnen, zoals zout.
- Vloed: Het stijgen van het zeewater waardoor het strand smaller wordt.
- Zoöplankton: Microscopisch kleine diertjes die onder andere van fytoplankton leven.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 6.5 .