6.4 Een kringloop Samenvatting

Waar blijft afval in de natuur?

In de natuur ontstaat veel natuurlijk afval, zoals dode bladeren, takjes, dieren en poep. Dit afval komt terecht in de bodem, die bestaat uit drie lagen: de strooisellaag, humuslaag en grondlaag. In de strooisellaag leven bodemdieren zoals pissebedden, wormen en kevers. Zij eten en verkleinen het afval, waarna het verandert in humus. In de humuslaag breken bacteriën en schimmels de humus verder af tot mineralen. Deze mineralen lossen op in het bodemwater en zijn weer beschikbaar voor planten.

Waarom heeft een bos nooit mest nodig?

Schema van de koolstofkringloop met koolstofdioxide in de lucht, producenten zoals planten, consumenten zoals dieren, reducenten zoals schimmels en bacteriën, fotosynthese en verbranding Een bos bemesten is niet nodig, want door de werking van afvaleters en reducenten (zoals bacteriën en schimmels) komen er steeds opnieuw mineralen in de bodem. Zo blijft de voedselkringloop in stand. Planten maken via fotosynthese glucose en andere voedingsstoffen. Dieren gebruiken deze stoffen als energiebron en zijn dus consumenten. Als planten en dieren doodgaan, eten afvaleters het op en verwerken het. Tot slot zetten schimmels en bacteriën de overblijfselen om in mineralen, waarmee alles weer opnieuw kan beginnen.

Waarom bemesten boeren hun land wél?

Op een akker werkt de voedselkringloop niet vanzelf. Boeren halen niet alleen de aardappelen van het land, maar ook de plantenresten. Daardoor ontstaat er geen humus en dus geen nieuwe mineralen. De bodem raakt uitgeput. Om dit op te lossen, voegen boeren mest toe. Dat kan dierlijke mest zijn, zoals poep en plas van vee, of kunstmest: korrels met mineralen uit de fabriek. Zo zorgen boeren ervoor dat nieuwe planten weer genoeg voeding krijgen om te groeien.

Woordenlijst

  • Afvaleters: Bodemdieren die afval van planten en dieren opeten.
  • Bacteriën: Heel kleine organismen in de bodem die humus afbreken tot mineralen.
  • Bodemdieren: Dieren die in de bodem leven en natuurlijk afval opeten of kleinmaken.
  • Bodemprofiel: Doorsnede van de bodem waarin de verschillende lagen zichtbaar zijn.
  • Consumenten: Organismen die voedingsstoffen gebruiken door andere organismen te eten.
  • Dierlijke mest: Plas en poep van boerderijdieren die wordt gebruikt om mineralen aan de bodem toe te voegen.
  • Grondlaag: Onderste bodemlaag die uit zand, klei, leem of veen kan bestaan.
  • Humuslaag: Donkere laag van kleine korreltjes die ontstaat nadat bodemdieren natuurlijk afval hebben fijngemaakt.
  • Kunstmest: In de fabriek gemaakte korrels met mineralen die boeren op hun akkers strooien.
  • Mest: Voeding voor planten die bestaat uit mineralen.
  • Mineralen: Stoffen die in de bodem opgelost zitten en door planten worden opgenomen om voedingsstoffen te maken.
  • Natuurlijk afval: Alle dode materialen die in de natuur terechtkomen, zoals bladeren, takjes, dode dieren en poep.
  • Producenten: Organismen die met behulp van fotosynthese voedingsstoffen maken.
  • Reduenten: Schimmels en bacteriën die humus afbreken tot mineralen.
  • Schimmels: Organismen met schimmeldraden die humus afbreken en waarvan paddenstoelen de voortplantingsorganen zijn.
  • Strooisellaag: Bovenste bodemlaag met natuurlijk afval zoals bladeren, takjes en poep.
  • Voedselkringloop: Proces waarbij planten, dieren, afvaleters en reducenten ervoor zorgen dat voedingsstoffen steeds opnieuw worden gebruikt.