6.3 Eten of gegeten worden Samenvatting

Wat staat er op het menu?

koe met pijlen die laten zien hoeveel energie via voedsel binnenkomt en hoeveel energie verloren gaat als warmte en beweging Alle organismen hebben voedingsstoffen nodig. Planten maken deze zelf door fotosynthese: met water en koolstofdioxide maken ze in hun bladgroenkorrels glucose en zuurstof, met behulp van zonlicht. Uit glucose vormen ze vervolgens andere stoffen, zoals vetten, eiwitten en vitaminen. Dieren en mensen kunnen dat niet zelf, want hun cellen hebben geen bladgroenkorrels. Zij moeten dus andere organismen eten om aan hun voedingsstoffen te komen.

Je kunt dieren indelen op basis van wat ze eten. Planteneters eten (delen van) planten, vleeseters eten andere dieren, en alleseters eten van beide. Wat je ook eet, het komt altijd van een ander organisme. Zo ontstaat er een voedselrelatie: wie eet wie?

voedselweb in een bos met pijlen tussen planten dieren en roofdieren die voedselrelaties laten zien

Hoe noteer je voedselrelaties?

Een voedselketen laat zien welke organismen elkaar opeten. Bijvoorbeeld: boom → rups → koolmees → sperwer. Elke stap in de keten noem je een schakel. De plant is altijd de eerste schakel. In de natuur lopen voedselketens vaak door elkaar heen. Zo ontstaan grotere netwerken van relaties: een voedselweb. Hierin zie je hoe meerdere ketens met elkaar verbonden zijn binnen een levensgemeenschap, zoals een bos.

Waarom zijn er meer rupsen dan sperwers?

In een voedselketen zijn er steeds minder organismen naarmate je hoger in de keten komt. Dit zie je in een voedselpiramide. Als het om aantallen gaat, noemen we het een piramide van aantallen. De basis (bijvoorbeeld bladeren) is breed, want er zijn veel bladeren nodig om genoeg rupsen te voeden, die op hun beurt weer voedsel zijn voor koolmezen en uiteindelijk voor een sperwer.

piramide van gewicht met planten en dieren waarin per laag steeds minder biomassa beschikbaar is Kijk je naar het totale gewicht, dan heet het een piramide van gewicht. Hierin zie je dat er per laag steeds minder gewicht beschikbaar is. Dat komt doordat dieren slechts een klein deel van hun voedsel gebruiken om te groeien. De rest verteren ze voor energie of poepen ze uit als onverteerbare stoffen. Daardoor gaat er in elke laag veel massa ‘verloren’ en blijft er steeds minder over voor de volgende schakel.

Woordenlijst

  • Alleseters: Dieren die zowel plantaardige als dierlijke voedingsmiddelen gebruiken.
  • Fotosynthese: Proces waarbij een plant in bladgroenkorrels van water en koolstofdioxide energierijke stoffen maakt met behulp van licht.
  • Glucose: Energierijke stof die in de bladgroenkorrels wordt gemaakt uit water en koolstofdioxide.
  • Piramide van aantallen: Voedselpiramide die laat zien hoeveel organismen elke laag van een voedselketen bevat.
  • Piramide van gewicht: Voedselpiramide waarbij elke laag het totale gewicht van een groep organismen weergeeft.
  • Planteneters: Dieren die delen van planten gebruiken als voedsel.
  • Schakel: Organisme dat een plaats inneemt in een voedselketen.
  • Voedselketen: Rij organismen die van elkaar leven, weergegeven met pijltjes.
  • Voedselpiramide: Overzicht van hoeveelheden organismen in een voedselketen, waarbij elke laag een andere groep weergeeft.
  • Voedselrelatie: Aangeven welke organismen elkaar gebruiken als voedsel.
  • Voedselweb: Groep verbonden voedselketens binnen een levensgemeenschap.
  • Vleeseters: Dieren die delen van andere dieren gebruiken als voedsel.
  • Water: Stof die via de wortels wordt opgenomen en nodig is om in de bladeren energierijke stoffen te vormen.
  • Zuurstof: Gas dat bij het maken van energierijke stoffen in de bladeren ontstaat.