6.1 Organismen en hun omgeving | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Wat is een biotische factor? A. Samenstelling van de bodem B. Invloed van een ander organisme C. Temperatuur in een gebied D. Luchtvochtigheid in de lucht 2. Wat is een populatie? A. Alle organismen in een ecosysteem B. Alle dieren in een gebied C. De bodem waarop dieren leven D. Een groep organismen van dezelfde soort in een gebied 3. Wat verstaan we onder ecologie? A. Het onderzoeken van relaties tussen organismen en hun milieu B. Het beschermen van bedreigde soorten C. Het leren over het klimaat D. De invloed van dieren op planten 4. Welk voorbeeld hoort bij een abiotische factor? A. De aanwezigheid van roofdieren B. Ziekteverwekkers in een populatie C. De temperatuur in de sloot D. Aantal planten in een gebied 5. Wat vormt samen een ecosysteem? A. De voedselketen en het voedselweb B. De biotoop en de biosfeer C. De populatie en het individu D. De levensgemeenschap en de biotoop 6. Wat is een levensgemeenschap? A. Alle populaties die in een gebied samenleven B. De verzameling van individuen van één soort C. Een soort organisme binnen een ecosysteem D. Alle abiotische factoren in een gebied 7. Wat is biomassa? A. Het gewicht van een ecosysteem B. De hoeveelheid zuurstof die een plant maakt C. De totale hoeveelheid energierijke stoffen in een organisme D. De verzameling planten in een ecosysteem 8. Waar begint een voedselketen meestal mee? A. Een vleeseter B. Een plantensoort C. Een consument D. Een alleseter 10. Wat is een voedselweb? A. Een keten van planten en dieren B. De voedselbron van planten C. De kringloop van stoffen in een ecosysteem D. Het geheel van voedselrelaties in een ecosysteem 12. Wat gebeurt er met de biomassa in elke volgende schakel van een voedselketen? A. Die wordt kleiner B. Die wordt groter C. Die blijft gelijk D. Die verdwijnt volledig 11. Wat betekent accumulatie? A. Het maken van energierijke stoffen B. Het verdwijnen van abiotische factoren C. Ophoping van giftige stoffen in een voedselketen D. De groei van populaties 12. Waar worden zware metalen in dieren opgeslagen? A. In de botten B. In het vetweefsel C. In het bloed D. In de spieren 13. Wat is een voorbeeld van een abiotische invloed op een populatie olifanten? A. De hoeveelheid regen B. Ziekteverwekkers C. Het gedrag van soortgenoten D. De aanwezigheid van roofdieren 14. Hoe beïnvloeden regenwormen hun milieu? A. Ze produceren mest B. Ze geven zuurstof af C. Ze eten plantendelen op D. Ze maken gangen in de bodem 15. Wat is een biotoop? A. De plaats waar dieren hun voedsel zoeken B. Het geheel van abiotische factoren in een gebied C. Een soort schuilplaats voor dieren D. De hele biosfeer 16. Wat hoort NIET bij de biosfeer? A. Het landoppervlak B. Het water C. De binnenkant van de aarde D. De lucht 17. Wat is het verschil tussen een voedselketen en een voedselweb? A. Een voedselketen heeft geen planten B. Een voedselweb bestaat uit meerdere voedselketens C. Een voedselweb bestaat alleen uit roofdieren D. Een voedselketen is korter 18. Wat is een voorbeeld van een biotische factor? A. Roofdieren B. Zuurstofgehalte C. Zonlicht D. Temperatuur 19. Waarom begint een voedselketen bijna altijd met een plant? A. Planten groeien het snelst B. Planten maken zelf energierijke stoffen met zonlicht C. Planten geven water af D. Planten eten andere organismen 20. Wat gebeurt er als zware metalen in planten terechtkomen? A. Ze lossen op in water B. Ze verlaten het ecosysteem C. Ze komen via voedsel in dieren terecht D. Ze worden afgebroken 21. Wat maakt deel uit van de levensgemeenschap? A. Alleen de planten in een gebied B. Alleen de dieren in een gebied C. Alle levende wezens in een gebied D. Alleen de mensen in een gebied 22. Waarom neemt de biomassa af in een voedselketen? A. De zon schijnt minder B. Een deel van de energie gaat verloren bij elke schakel C. Er komen meer organismen bij D. Er sterven organismen ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden