6.1 Bloemen Samenvatting
Een bloem
Een bloem is een belangrijk orgaan van een plant dat zorgt voor de voortplanting. De bloem bestaat uit verschillende delen, elk met een eigen functie. Zo heb je een bloemkelk en een bloemkroon, en in het midden de voortplantingsorganen: meeldraden en een stamper.
Bloemkelk (kelkbladeren)
De bloemkelk is meestal groen van kleur en beschermt de bloem in de knop tegen uitdroging en kou. De kelkbladeren kunnen vergroeid zijn of los van elkaar.
Bloemkroon (kroonbladeren)
De bloemkroon is vaak groot en opvallend gekleurd om insecten aan te trekken voor de bestuiving. Soms zijn de kroonbladeren klein en groen, bijvoorbeeld bij grassen, en kunnen ze vergroeid of los zitten.
Door insecten te lokken (zoals bijen) kan stuifmeel worden overgebracht van de ene bloem naar de andere. Dat is belangrijk voor de bevruchting en de vorming van zaden.
De bouw en functie van bloemen
Hoewel bloemen er verschillend uit kunnen zien, is hun basisopbouw meestal hetzelfde. Ze bevatten onderdelen die zorgen voor de voortplanting: de meeldraden (mannelijk) en de stamper (vrouwelijk). Elk van deze onderdelen heeft een specifieke opbouw en functie.
Meeldraden (mannelijke voortplantingsorganen)
De meeldraden bestaan uit een helmdraad en een helmknop. In de helmknop zitten helmhokjes waarin stuifmeelkorrels ontstaan — dit zijn de mannelijke geslachtscellen. Wanneer de helmhokjes openspringen, komt het stuifmeel vrij.
Stamper (vrouwelijk voortplantingsorgaan)
De stamper bestaat uit een stempel, stijl en vruchtbeginsel. In het vruchtbeginsel zitten één of meer zaadbeginsels, waarin eicellen ontstaan — de vrouwelijke geslachtscellen.
Zowel de eicel als de stuifmeelkorrel bevatten een celkern die nodig is voor de bevruchting. Na de bevruchting groeit uit het vruchtbeginsel een vrucht met daarin de zaden. Zo zorgt de bloem voor de voortplanting van de plant.
Woordenlijst
- Bloemkelk: Het groene gedeelte van een bloem dat de rest van de bloem in de knop beschermt tegen uitdroging en kou.
- Bloemkroon: Het gedeelte van een bloem met vaak grote en opvallend gekleurde bladeren die insecten lokken voor bestuiving.
- Eicel: De vrouwelijke geslachtscel die in een zaadbeginsel wordt gevormd.
- Helmdraad: Het steeltje van een meeldraad dat de helmknop draagt.
- Helmhokjes: Kleine ruimtes in de helmknop waarin stuifmeel ontstaat.
- Helmknop: Het bovenste deel van een meeldraad waarin helmhokjes zitten.
- Kelkbladeren: Meestal groene bladeren die samen de bloemkelk vormen en de bloem beschermen zolang die nog in de knop zit.
- Kroonbladeren: De vaak opvallend gekleurde bladeren van een bloem die insecten aantrekken, soms vergroeid of los van elkaar.
- Meeldraden: De mannelijke voortplantingsorganen van een bloem die stuifmeelkorrels vormen.
- Stamper: Het vrouwelijke voortplantingsorgaan van een bloem dat eicellen vormt.
- Stempel: Het bovenste deel van de stamper waar stuifmeel op terechtkomt.
- Stijl: Het gedeelte van de stamper tussen de stempel en het vruchtbeginsel.
- Stuifmeelkorrels: Kleine korrels uit de helmhokjes die de mannelijke geslachtscellen van een plant zijn.
- Vruchtbeginsel: Het onderste deel van de stamper waarin een of meer zaadbeginsels zitten.
- Zaadbeginsels: Onderdelen in het vruchtbeginsel waarin eicellen ontstaan.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 6.1 .
Meer leren? Wikipedia – Bloem .