5.3 Planten voeden zich Samenvatting
Welke voedingsstoffen ‘eten’ planten?
Planten gebruiken geen voedsel zoals mensen, maar halen voedingsstoffen uit hun omgeving. Ze nemen water op via de wortelharen en mineralen zoals stikstof en calcium via dat water. Daarnaast nemen ze koolstofdioxide op uit de lucht via de huidmondjes.
Een van de belangrijkste stoffen die planten zelf maken is glucose, een suiker die dient als energiebron en bouwstof.
Hoe maakt een plant glucose?
Glucose wordt gemaakt tijdens de fotosynthese in de bladgroenkorrels. Hiervoor zijn koolstofdioxide, water en zonlicht nodig. Bij dit proces ontstaat ook zuurstof als bijproduct.
De fotosynthese vindt alleen plaats bij zonlicht, dat de energie levert om glucose te vormen. De formule is: koolstofdioxide + water + (zon)licht → glucose + zuurstof.
Welke andere stoffen maakt een plant?
Glucose is de basis voor de vorming van andere voedingsstoffen. Een deel wordt direct gebruikt als energiebron; de rest wordt omgezet in zetmeel, vetten, eiwitten en vitaminen.
Zetmeel en vetten dienen als reservestoffen, eiwitten helpen bij groei en herstel, en vitaminen regelen belangrijke levensprocessen.
Waar bewaren planten reservestoffen?
Reservestoffen worden opgeslagen in structuren zoals knollen, bollen en zaden. Knollen, zoals aardappelen, en bollen, zoals uien, slaan voedsel ondergronds op.
Dankzij deze voorraden kunnen planten in het voorjaar weer groeien, zelfs zonder direct zonlicht. Zaden bevatten voedsel in de zaadlobben voor nieuwe planten.
Hoe overleven planten zonder bladgroen?
Sommige planten hebben geen bladgroenkorrels en kunnen daardoor zelf geen voedingsstoffen maken. Toch overleven ze, zoals de klavervreter. Deze bijzondere plant leeft als parasiet op klaverplanten. Wanneer een klavervreterzaadje in de buurt komt van een klaverwortel, reageert het op bepaalde stofjes die de wortel afgeeft. Daarna hecht het zich vast en 'steelt' voedingsstoffen uit de gastheerplant, de klaver.
Woordenlijst
- Bladgroenkorrels: Groene bolletjes in plantencellen waarin de fotosynthese plaatsvindt.
- Bollen: Dikke bladeren die reservestoffen opslaan en waaruit nieuwe plantjes groeien.
- Eiwitten: Voedingsstoffen die nodig zijn voor groei en herstel; voor de aanmaak zijn mineralen nodig.
- Fotosynthese: Proces waarbij planten uit koolstofdioxide en water, met behulp van zonlicht, glucose en zuurstof maken.
- Gastheerplant: Hieruit haalt een parasiet zijn voedingsstoffen.
- Glucose: Plantensuiker; ontstaat bij fotosynthese en wordt gebruikt als energiebron of bouwstof.
- Knollen: Verdikte wortels of stengels waarin de plant reservestoffen opslaat.
- Koolstofdioxide: Gas dat planten gebruiken om glucose te vormen tijdens de fotosynthese.
- Mineralen: Meststoffen die planten via hun wortels opnemen; nodig voor de productie van voedingsstoffen.
- Parasiet: Plant zonder bladgroen, die zijn voedingsstoffen uit een andere plant haalt.
- Reservestoffen: Voedingsstoffen die worden opgeslagen om later te gebruiken, vooral zetmeel en vetten.
- Vetten: Voedingsstoffen die als reservevoedsel worden opgeslagen, bijvoorbeeld in zaden.
- Vitaminen: Stoffen die zorgen dat levensprocessen goed verlopen.
- Water: Nodig voor fotosynthese, ontkieming van zaden en transport van stoffen in de plant.
- Zaden: Ontstaan na bevruchting en bevatten voedselreserves voor nieuwe planten.
- Zetmeel: Reservevoedsel dat wordt opgeslagen in wortels en zaden.
- Zonlicht: Levert energie voor de fotosynthese.
- Zuurstof: Gas dat vrijkomt bij fotosynthese en door mensen en dieren wordt ingeademd.
Alles gelezen? Test jezelf met een paar vragen en kijk wat je al goed begrijpt over paragraaf 5.3!