5.2 Kraakbeenweefsel en beenweefsel Samenvatting

Wat is het verschil tussen kraakbeen en been?

Overzicht van kraakbeenweefsel en botweefsel in het skelet met buigzaam kraakbeen en hard bot met bloedvaten Ons lichaam heeft kraakbeenweefsel en beenweefsel om stevig te zijn én te kunnen bewegen. Beide soorten weefsel geven steun, maar op een andere manier. Kraakbeenweefsel is stevig en tegelijk buigzaam. Je vindt het bijvoorbeeld in je neus en oorschelpen. De kraakbeencellen liggen in groepjes in een elastische tussencelstof. Hierdoor is kraakbeen flexibel en veert het mee zonder te breken.

Waarom zijn botten hard maar toch een beetje buigzaam?

Beenweefsel is steviger dan kraakbeen en zit vol met kleine kanaaltjes met bloedvaten. De botcellen liggen in kringen rond deze kanaaltjes en zijn via uitlopers met elkaar verbonden. Wat botten zo sterk maakt, is de combinatie van twee stoffen in de tussencelstof: kalkzouten en lijmstof. Kalkzouten zorgen voor hardheid, terwijl lijmstof de buigzaamheid geeft. Zo breken botten niet zomaar, maar kunnen ze wel een beetje meebuigen bij een klap of val.

Hoe veranderen botten tijdens je leven?

Bij een baby bestaat het skelet vooral uit kraakbeen, zodat het soepel en flexibel is. Als je opgroeit, verandert dat. Bij kinderen bevatten botten vooral veel lijmstof – dat maakt ze buigzaam. Maar naarmate je ouder wordt, neemt de hoeveelheid kalkzouten toe en verdwijnt er juist lijmstof. Daarom zijn botten van ouderen vaak minder buigzaam en breken ze sneller. Je skelet groeit dus niet alleen in lengte, maar ook in samenstelling!

Praktijkproefje

Leg je een bot in zoutzuur, dan lossen de kalkzouten op en wordt het bot slap. Verbrand je het bot, dan verdwijnt de lijmstof en breekt het juist makkelijk.

Woordenlijst

  • Beenweefsel: Heel stevig en een beetje buigzaam weefsel waarbij de cellen in kringen rondom fijne kanaaltjes met bloedvaten liggen.
  • Kalkzouten: Stoffen in de tussencelstof die zorgen voor hardheid en stevigheid en oplossen in een zoutzuuroplossing.
  • Kraakbeenweefsel: Stevig en goed buigzaam weefsel waarbij de cellen in groepjes in een elastische tussencelstof liggen, bijvoorbeeld in de neus en oorschelpen.
  • Lijmstof: Stof in de tussencelstof die zorgt voor buigzaamheid en verbrandt in een vlam.