4.4 Zwanger worden Samenvatting

Erectie

Een erectie ontstaat wanneer zwellichamen in de penis zich vullen met bloed, meestal als reactie op seksuele opwinding. De penis wordt dan groter en steviger. Bij vrouwen zwellen de zwellichamen in de clitoris op en maakt de vagina slijm aan om de geslachtsgemeenschap te vergemakkelijken. Bij een zaadlozing komt sperma via de urinebuis in de vagina. Sperma bevat miljoenen zaadcellen. Jongens kunnen ook spontaan een zaadlozing krijgen tijdens een natte droom.

Bevruchting

Afbeelding van de menstruatiecyclus met rijping van de eicel, ovulatie, opbouw van het baarmoederslijmvlies en menstruatie Bevruchting vindt plaats in de eileider, waar de kern van een zaadcel samensmelt met die van een eicel. Zaadcellen bewegen zich voort met hun zweepstaart en kunnen 2 tot 3 dagen overleven in het lichaam van de vrouw. Eicellen blijven 12 tot 24 uur in leven na de ovulatie. Tijdens de vruchtbare periode is bevruchting mogelijk. Zodra één zaadcel binnendringt, wordt de eicel ondoordringbaar voor andere zaadcellen.

Innesteling

Na de bevruchting deelt de bevruchte eicel zich tot een klompje cellen dat zich in het verdikte baarmoederslijmvlies nestelt. Vanaf dat moment is er sprake van een zwangerschap en blijft de menstruatie uit. De innesteling gebeurt ongeveer 5 tot 7 dagen na de ovulatie. Het klompje cellen groeit uit tot een kind dat na ongeveer 38 weken wordt geboren.

Zwangerschap

In de eerste weken heet het ontwikkelende kind een embryo; vanaf week 8 een foetus. Voeding komt eerst uit het baarmoederslijmvlies, later via de placenta, een deel van de baarmoederwand waar stoffen worden uitgewisseld tussen moeder en foetus. Het bloed van moeder en foetus blijft gescheiden. De navelstreng verbindt de foetus met de placenta. De foetus drijft in vruchtwater binnen twee beschermende vruchtvliezen, wat bescherming biedt tegen stoten, uitdroging en temperatuurverschillen.

Echo

Echografie en prenataal onderzoek

Prenatale onderzoeken vinden plaats tijdens de zwangerschap om het geslacht en eventuele aangeboren afwijkingen op te sporen. De eerste echo (termijnecho) gebeurt rond 8 tot 10 weken. Vanaf 10 weken kan de NIPT (niet-invasieve prenatale test) worden gedaan, waarbij bloed van de moeder wordt onderzocht op erfelijke afwijkingen. De 13-wekenecho en 20-wekenecho controleren de ontwikkeling van hart, hersenen en organen van de foetus. Ook kan dan het geslacht worden vastgesteld. Ouders kunnen daarnaast kiezen voor een pretecho om hun kind in 3D of 4D te bekijken.

Woordenlijst

  • Bevruchting: Het samensmelten van de kern van een zaadcel met de kern van een eicel.
  • Echo: Onderzoek waarbij met geluidsgolven een beeld van de foetus in de baarmoeder wordt gemaakt.
  • Embryo: Het kind in de eerste weken van de zwangerschap.
  • Erectie: Toestand waarin de penis groter en steviger wordt doordat de zwellichamen zich met bloed vullen.
  • Foetus: Naam voor het ongeboren kind vanaf de achtste week van de zwangerschap.
  • Geslachtsgemeenschap: Wanneer een man de stijve penis in de vagina van de vrouw brengt.
  • Innesteling: Het vastzetten van het klompje cellen in het baarmoederslijmvlies na de bevruchting.
  • Navelstreng: Verbinding tussen de foetus en de placenta waardoor bloed met stoffen heen en weer stroomt.
  • NIPT: Bloedtest bij de moeder waarmee onderzocht wordt of er een verhoogde kans is op een kind met een aangeboren afwijking.
  • Placenta: Deel van de baarmoederwand waar stoffen worden uitgewisseld tussen moeder en kind.
  • Prenataal onderzoek: Onderzoek tijdens de zwangerschap om te kijken naar de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
  • Reservevoedsel: Stoffen in de eicel die nodig zijn voor de eerste ontwikkeling na de bevruchting.
  • Vruchtvliezen: Dunne vliezen rond de foetus die samen met het vruchtwater bescherming bieden.
  • Vruchtwater: Vloeistof waarin de foetus drijft en die beschermt tegen stoten, uitdroging en temperatuurverschillen.
  • Zaadlozing: Moment waarop sperma met schokken uit de penis komt.
  • Zweepstaart: Staart van de zaadcel waarmee hij zich kan voortbewegen.