4.4 Planten en dieren | Uitlegfilm

Indeling van het plantenrijk

In deze uitleg leer je hoe planten en dieren worden ingedeeld in verschillende groepen. Die indeling gebeurt op basis van duidelijke kenmerken. Daardoor ontstaat een logisch systeem dat helpt om soorten beter te herkennen.

Planten bestaan uit plantencellen met een celwand, bladgroenkorrels en een vacuole. Omdat planten een celkern hebben, horen ze bij de eukaryoten. Binnen het plantenrijk onderscheiden we drie stammen: zaadplanten, sporenplanten en wieren. Deze groepen verschillen vooral in de manier van voortplanten.

Zaadplanten planten zich voort met zaden. Sporenplanten gebruiken sporen. Beide groepen hebben wortels, stengels en bladeren. Daardoor heten ze ook wel vaatplanten. Via vaatbundels vervoeren ze water en voedingsstoffen.

Wieren hebben geen wortels, stengels en bladeren. Ze bestaan soms uit één cel, maar kunnen ook kolonies vormen. Wieren planten zich voort met sporen. Een bekend voorbeeld is zeesla, dat ook wordt gebruikt bij het maken van sushi.

Kenmerken van dieren en hun indeling

Dieren hebben cellen met een celmembraan en een celkern, maar geen celwand, bladgroenkorrels of vacuole. Ook dieren behoren tot de eukaryoten. Het dierenrijk wordt ingedeeld in verschillende groepen. Voor die indeling letten we vooral op twee kenmerken: symmetrie en het type skelet.

Bij symmetrie kijk je naar de manier waarop een dier gespiegeld kan worden. Een dier kan niet-symmetrisch zijn, tweezijdig symmetrisch of veelzijdig symmetrisch. Daarnaast kijk je of een dier een inwendig skelet, uitwendig skelet of geen skelet heeft. Deze kenmerken vormen de basis voor de indeling in diergroepen.

Overzicht van de diergroepen

Sponzen zijn niet-symmetrisch en hebben verstevigde vezels tussen de cellen. Ze zijn eenvoudig gebouwd en werden vroeger zelfs gebruikt als natuurlijke spons.

Holtedieren, zoals kwallen, zijn veelzijdig symmetrisch. Ze hebben geen skelet maar wel tentakels die prooien verlammen en naar de lichaamsholte brengen.

Wormen zijn tweezijdig symmetrisch en hebben geen skelet. Ze hebben een langgerekt lichaam en kunnen in de lengte gespiegeld worden.

Weekdieren zijn tweezijdig symmetrisch en hebben meestal een uitwendig skelet, zoals een schelp. Sommige weekdieren, zoals de zeekat, hebben juist een inwendig skelet.

Geleedpotigen zijn tweezijdig symmetrisch en hebben een uitwendig skelet. Hun lichaam bestaat uit segmenten. Elk deel heeft vaak poten of andere aanhangsels. In een volgende video wordt hun verdere indeling behandeld.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch en hebben een inwendig kalkskelet. Aan de buitenkant hebben ze stekels of knobbels. Zeesterren zijn een bekend voorbeeld.

Gewervelden zijn tweezijdig symmetrisch en hebben een inwendig skelet met een wervelkolom. Mensen en honden behoren tot deze groep. De naam verwijst direct naar hun belangrijkste kenmerk.

Door goed op de namen en kenmerken te letten, kun je vaak snel bepalen in welke groep een dier of plant thuishoort. De video sluit af met een overzicht van alle besproken groepen.