4.3 Beenverbindingen | Uitlegfilm

In deze uitleg over beenverbindingen leer je op welke vier manieren de botten van het skelet met elkaar verbonden zijn. Ook zie je uit welke onderdelen een gewricht bestaat en welke drie typen gewrichten er in de arm voorkomen.

Soorten beenverbindingen

Er zijn vier soorten beenverbindingen: vergroeiing, naadverbinding, kraakbeenverbinding en gewrichten.

Bij een vergroeiing zijn botten volledig aan elkaar vastgegroeid. Beweging is dan niet meer mogelijk. Een voorbeeld is het heiligbeen, waar meerdere wervels zijn vergroeid.

De tweede soort is de naadverbinding. Die vind je in de schedel. De kartelachtige lijnen op de schedel zijn de naden waar de verschillende schedelplaten aan elkaar zijn gegroeid.

Bij de geboorte bestaan de schedelplaten nog uit losse stukken kraakbeen. Dat is nodig zodat het hoofdje door het geboortekanaal kan. Na de geboorte schuiven de platen weer op hun plek en groeien ze aan elkaar vast. Daarom heeft een baby meer botten dan een volwassene: nog niet alle botten zijn vergroeid.

Vergroeide verbindingen en naadverbindingen zijn onbeweeglijk zodra ze volledig volgroeid zijn.

Beweeglijke verbindingen

De andere twee soorten verbindingen kunnen wél bewegen: de kraakbeenverbinding en het gewricht.

Een kraakbeenverbinding komt bijvoorbeeld voor tussen de wervels. De kraakbeenschijfjes zorgen ervoor dat de wervels een beetje ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Zo kun je je rug buigen en draaien, maar niet onbeperkt.

De meest beweeglijke verbinding is het gewricht. In de arm komen drie typen gewrichten voor: het kogelgewricht, het scharniergewricht en het rolgewricht.

Het kogelgewricht zit in de schouder. Hiermee kun je je arm in bijna alle richtingen bewegen en ronddraaien. Het scharniergewricht bevindt zich tussen de bovenarm en onderarm en werkt als een scharnier: je kunt je arm buigen en strekken. Het rolgewricht ligt tussen de spaakbeen en ellepijp en zorgt ervoor dat je onderarm kan draaien. Zo kun je je handpalm naar boven of beneden draaien.

Deze drie gewrichten maken samen een soepele en precieze beweging van de arm mogelijk. Ze komen overigens ook op andere plaatsen in het lichaam voor.

Bouw van een gewricht

Een gewricht is de verbinding tussen twee botten. Meestal past een bolvormig uiteinde (de kogel) in een hol uiteinde (de kom). Aan de uiteinden van de botten ligt een laagje kraakbeen, dat ervoor zorgt dat de botten soepel langs elkaar glijden.

Tussen de botten zit gewrichtssmeer, dat de wrijving vermindert. Rondom het gewricht bevindt zich het gewrichtskapsel, dat de botten bij elkaar houdt en het gewrichtssmeer aanmaakt. Aan de buitenkant zorgen kapselbanden voor extra stevigheid, vooral bij gewrichten die veel gewicht dragen, zoals de knieën.

Soms raken de botten los van elkaar. Dat heet een ontwrichting. Hierover leer je meer in een volgende basisstof.

Samenvatting

Er zijn vier soorten beenverbindingen:

  • Vergroeiing – onbeweeglijk
  • Naadverbinding – onbeweeglijk
  • Kraakbeenverbinding – beperkt beweeglijk
  • Gewricht – zeer beweeglijk

Gewrichten maken onze bewegingen mogelijk en zorgen voor soepelheid en stabiliteit in het lichaam.