4.2 De bouw van botten | Uitlegfilm

In deze video leer je over de bouw van botten en de twee soorten weefsels waaruit het skelet is opgebouwd: beenweefsel en kraakbeenweefsel. We bekijken de kenmerken van beide weefsels en hoe die samen de stevigheid en buigzaamheid van het skelet bepalen.

Een weefsel is een groep cellen met dezelfde bouw en functie. Beenweefsel en kraakbeenweefsel zijn hier voorbeelden van. In het beenweefsel zie je zwarte stipjes: dat zijn de cellen. Tussen de cellen liggen stevige draden die de cellen verbinden. Samen vormen ze ronde structuren met holtes waarin bloedvaten lopen.

Bij het kraakbeenweefsel zie je witte blokjes: dat zijn de cellen. Ze liggen in groepjes bij elkaar, met daartussen veel tussencelstof. De tussencelstof verschilt sterk tussen beide weefsels. Bij beenweefsel maakt die de structuur hard, bij kraakbeenweefsel juist buigzaam en elastisch. De tussencelstof bepaalt dus de eigenschappen van elk type weefsel.

De tussencelstof van beenweefsel bestaat uit kalkzouten en collageen (ook wel lijmstof genoemd). Kalkzouten maken het bot hard, collageen zorgt voor enige buigzaamheid. Zo ontstaat een sterk, stevig bot dat veel kracht kan verdragen.

Kraakbeenweefsel bestaat vooral uit collageen en is daardoor elastisch en buigzaam. Dat kun je voelen aan je neuspunt en oorschelp, die uit kraakbeen bestaan. Ook de schijfjes tussen je wervels zijn van kraakbeen, zodat je soepel kunt bewegen. Kraakbeenweefsel is dus essentieel voor de beweeglijkheid van het skelet.

De verhouding tussen beide weefsels verandert tijdens je leven. Een baby heeft een skelet dat grotendeels uit kraakbeenweefsel bestaat. Dat is buigzaam en breekt niet snel, wat handig is bij de geboorte. Naarmate je ouder wordt, verandert steeds meer kraakbeen in beenweefsel. Je skelet wordt harder en steviger, maar ook minder buigzaam.

Bij kinderen blijft nog wat kraakbeen aanwezig, waardoor de botten wat mee kunnen buigen. Dat voorkomt breuken bij vallen. Tijdens de groei, als het lichaam zwaarder wordt, neemt de hoeveelheid beenweefsel toe voor extra stevigheid. Op hoge leeftijd wordt het skelet juist weer brozer: botten zijn dan zo hard dat ze makkelijker breken. Daarom breken oudere mensen sneller hun heup of een ander bot.

Samengevat: je wordt geboren met een soepel skelet, dat tijdens je leven steeds harder wordt. Op oudere leeftijd neemt de buigzaamheid opnieuw af, waardoor de botten weer kwetsbaarder worden.