3.7 Verwantschap | Uitlegfilm

In deze uitleg leer je wat fossielen zijn en hoe ze informatie geven over organismen die vroeger leefden. Fossielen zijn versteende resten of afdrukken van dode organismen. Meestal blijven alleen de hardere delen over, zoals botten of schelpen. Zacht weefsel verdwijnt voordat het kan verharden. Door lagen sediment zoals zand en klei ontstaat druk, waardoor een organisme langzaam versteent.

Met fossielen kun je bepalen welke organismen in bepaalde perioden leefden. Daarom kun je fossielen vergelijken met soorten die nu bestaan. Je ziet dan of een oud organisme veel lijkt op een moderne soort. Zo herken je bijvoorbeeld dat een fossiel eruitziet als een libelle. Doordat geologen weten in welke tijdsperiode aardlagen zijn gevormd, kunnen ze precies bepalen hoe oud een fossiel is. Daardoor ontstaat een duidelijk beeld van de ontwikkeling van soorten.

Vergelijkbare bouwplannen bij dieren

Veel dieren hebben een overeenkomstig bouwplan. Ze verschillen in vorm of grootte, maar hun botten en organen komen sterk overeen. Dat zie je bijvoorbeeld bij de voorpoten van een walvis, een kat en de mens. Alle drie hebben dezelfde soort botten, maar elk dier gebruikt ze op een andere manier. Door de evolutie zijn deze bouwplannen aangepast aan hun leefwijze. Een walvis zwemt ermee, een kat rent en springt ermee en mensen gebruiken hun handen om voorwerpen te pakken.

Deze overeenkomsten laten zien dat verschillende soorten ooit een gezamenlijke voorouder hadden. In de loop van miljoenen jaren veranderden hun bouwplannen, maar de basisstructuur bleef herkenbaar.

Rudimentaire organen en evolutionaire veranderingen

Sommige organen hebben in de evolutie hun functie verloren. Dat noemen we rudimentaire organen. Bij mensen zijn de verstandskiezen een bekend voorbeeld. Veel mensen hebben ze nog, maar ze zijn niet meer nodig omdat we ons voedsel beter kunnen bereiden. Soms komen verstandskiezen zelfs niet meer door het tandvlees heen.

Het staartbeen is een ander voorbeeld. Dat botje herinnert aan een staart die onze voorouders ooit hadden. Door het verlies van functie worden zulke organen in de evolutie steeds kleiner.

Processen in cellen laten verwantschap zien

Niet alleen uiterlijke kenmerken tonen verwantschap. Ook in de cellen zie je overeenkomsten. Het mitochondrium zorgt voor de verbranding van glucose en komt voor in veel verschillende organismen. Het proces verloopt vrijwel hetzelfde bij al deze soorten. Dat geeft aan dat ze een gezamenlijke oorsprong delen.

Wanneer belangrijke processen in cellen overeenkomen, is dat een sterke aanwijzing dat soorten evolutionair verwant zijn. Daarom is celbiologie een belangrijk hulpmiddel om verwantschap te onderzoeken.

Stambomen en het vaststellen van verwantschap

Met een verwantschapsschema of stamboom kun je precies zien hoe soorten samenhangen. Op elk knooppunt in de stamboom ontstaat een nieuwe soort. Soorten die dichter bij elkaar liggen in de stamboom, delen een recentere voorouder en zijn dus nauwer verwant.

Bij roofdieren zie je bijvoorbeeld dat wasbeerachtigen en marterachtigen dicht naast elkaar staan. Daardoor zijn ze sterker aan elkaar verwant dan aan schijnkatten. Door te kijken waar een splitsing plaatsvindt, ontdek je welke soort eerder of later afsplitste.

In zulke schema’s staat vaak ook een tijdlijn. Daarmee zie je in welke tijdperiode een soort ontstond. Tijdens een toets kan worden gevraagd om een periode af te lezen of soorten te vergelijken op basis van hun knooppunten. Als je de tijdschaal goed bekijkt, kun je deze opdrachten eenvoudig oplossen.