3.4 Stambomen | Uitlegfilm

In deze video leer je hoe je een stamboom leest en welke informatie je eruit kunt halen. Een stamboom laat zien hoe eigenschappen en erfelijke ziektes worden doorgegeven binnen een familie. Daardoor kun je verbanden herkennen tussen familieleden en begrijpen hoe een bepaalde ziekte ontstaat.

Basis van een stamboom

In een stamboom staat een rondje voor een vrouw en een vierkantje voor een man. Deze symbolen zijn met horizontale lijnen verbonden wanneer zij een paar vormen. Vanuit zo’n paar loopt een verticale lijn naar beneden, gevolgd door een horizontale lijn naar de kinderen. Zo zie je duidelijk welke nakomelingen bij welke ouders horen.

Wanneer een symbool is ingekleurd, betekent dit dat de persoon een bepaalde ziekte of eigenschap heeft. Een wit symbool geeft aan dat deze persoon de ziekte niet heeft. De symbolen en kleuren kunnen per opdracht verschillen, dus kijk altijd eerst naar de legenda.

Voorbeeld: vergelijking van drie families

In een examenvraag worden drie families getoond waarin dezelfde erfelijke ziekte voorkomt. De opdracht is om vast te stellen welke familie drie aan elkaar verwante personen heeft die allemaal ziek zijn. Daarom vergelijk je per familie welke personen de ziekte hebben en hoe zij met elkaar verbonden zijn.

In de eerste familie blijkt dat drie zieke personen niet allemaal verwant zijn. In de tweede familie zie je een vader met de ziekte, zijn dochter die de ziekte heeft en haar kind dat ook ziek is. Deze drie zijn direct aan elkaar verwant. De derde familie voldoet niet aan de voorwaarden, omdat een van de zieke personen niet verwant is aan de anderen. Daarom is familie 2 de juiste keuze.

Recessief of dominant?

Een volgende vraag gaat over de familie De Bruin. Uit de stamboom moet worden afgeleid dat de ziekte recessief is. Je krijgt drie mogelijke combinaties van personen waarbij je dit zou kunnen zien. Door goed te redeneren ontdek je welke combinatie het juiste bewijs levert.

In combinatie 3–4–8 zie je twee ouders zonder ziekte die samen een kind krijgen dat wél ziek is. Dit kan alleen wanneer beide ouders heterozygoot zijn. Ze dragen dus allebei één ziek allel, maar laten dit zelf niet in hun uiterlijk zien. Het kind heeft dan van beide ouders het recessieve allel gekregen en is daardoor homozygoot recessief. Dat is het duidelijke bewijs dat de ziekte recessief moet zijn.

Wanneer twee ouders zelf geen ziekte hebben maar hun kind wel, weet je dus dat zij dragers zijn. Dit principe geldt bij elke eigenschap die recessief overerft.