3.1 Genotype en fenotype | Test jezelf Resultaat Probeer opnieuw 1. Hoeveel chromosomen zitten er in een menselijke lichaamscel? A. 23 B. 46 C. 92 D. 2 2. Waar ligt de informatie voor erfelijke eigenschappen opgeslagen? A. In de chromosomen in de celkern B. In het cytoplasma C. In het celmembraan D. In het bloed 3. Wat is een gen? A. Een stukje DNA met informatie voor één erfelijke eigenschap B. Een groep cellen die erfelijkheid regelen C. Een stof die je karakter bepaalt D. Een soort eiwit 4. Wat is een allel? A. Een variant van een gen B. Een andere naam voor een chromosoom C. De kleur van je ogen D. Een type cel 5. Hoeveel allelen heeft een gen in een lichaamscel? A. Eén B. Twee C. Drie D. Vier 6. Wat is een genotype? A. Alles wat je aan de buitenkant kunt zien B. De erfelijke informatie in de celkern C. Een soort gen D. Alleen de eigenschappen van je ouders 7. Wat bepaalt het genotype van een kind? A. De combinatie van chromosomen van zaadcel en eicel B. Alleen de genen van de moeder C. Alleen het uiterlijk van de vader D. Hoe het kind is opgevoed 8. Wat verandert niet tijdens het leven? A. Het genotype B. Het gedrag C. De haarkleur D. Het gewicht 9. Wat is het fenotype? A. Alleen het uiterlijk van iemand B. Alle zichtbare en onzichtbare eigenschappen van een organisme C. Een combinatie van alleen de genen D. De lengte en het gewicht samen 10. Wat speelt een rol bij het ontstaan van het fenotype? A. Alleen de genen B. Genotype en invloeden uit het milieu C. Alleen wat je eet D. Alleen opvoeding 11. Wat kan wel veranderen in je leven? A. Je genotype B. Je fenotype C. Je chromosomen D. Je allelen 12. Hoe wordt het genotype gevormd? A. Tijdens de bevruchting B. Tijdens de geboorte C. Als het kind begint te lopen D. Door opvoeding 13. Waaruit bestaan chromosomen? A. Uit eiwitten B. Uit DNA C. Uit bloed D. Uit vetcellen 14. Wat is het verschil tussen genotype en fenotype? A. Het fenotype verandert nooit B. Het genotype verandert niet, het fenotype wel C. Genotype zie je aan de buitenkant D. Fenotype is erfelijk, genotype niet 15. Wat betekent het als een gen "aan" staat? A. Dat het gen actief is in die cel B. Dat je er ziek van wordt C. Dat je het gen niet kunt gebruiken D. Dat het gen niet werkt 16. Waar vind je de meeste genen? A. Op de chromosomen in de celkern B. In je bloedcellen C. In je huid D. Op je tong 17. Hoeveel genen bevat een chromosoom? A. Eén B. Tien C. Honderd D. Veel 18. Wat is een voorbeeld van een eigenschap die tot het fenotype behoort? A. Je DNA B. Je oogkleur C. De chromosomen D. De hoeveelheid genen 19. Wat gebeurt er als je je haar verft? A. Het fenotype verandert, maar het genotype blijft gelijk B. Je verandert je genen C. Het genotype verandert D. Je krijgt nieuwe allelen 20. Wat zijn invloeden uit het milieu? A. Voeding, zonlicht en opvoeding B. Alleen erfelijke factoren C. Je chromosomen D. Alleen je genen 21. In welke cellen komen chromosomen enkelvoudig voor? A. In geslachtscellen B. In huidcellen C. In spiercellen D. In zenuwcellen 22. Wat gebeurt er met het genotype bij gewone celdeling (mitose)? A. Het verandert een beetje B. Het verdwijnt C. Het blijft exact hetzelfde D. Er ontstaan nieuwe eigenschappen Vorige Volgende Controleer antwoorden