3.1 Genotype en fenotype | Invuloefening
In de celkern van elke lichaamscel liggen met daarop stukjes die je genen noemt. Elk gen bevat informatie voor één erfelijke eigenschap en bestaat uit twee . Deze kunnen gelijk of verschillend zijn en vormen samen het van een organisme. Dit genotype ontstaat tijdens de , wanneer de chromosomen uit de zaadcel en de eicel opnieuw chromosomenparen vormen.
Bij de bevruchting ontstaat in de bevruchte voor elk gen weer een paar allelen: één van de moeder en één van de vader. Tijdens blijft deze erfelijke informatie in alle nieuwe lichaamscellen hetzelfde. Het verandert daardoor gedurende het leven niet.
De zichtbare en onzichtbare eigenschappen van een organisme noem je het . Dit fenotype wordt bepaald door het genotype, maar ook door -invloeden zoals zonlicht, voeding of leefstijl. Door zulke invloeden kan het fenotype veranderen zonder dat het genotype verandert, zoals bij het verven van je haarkleur.