2.3 De organen voor vertering Samenvatting
Mondholte, keelholte en slokdarm
De vertering start in de mondholte. Hier produceren speekselklieren het speeksel, dat bestaat uit water, slijm en een enzym. Slijm zorgt voor een betere glijbaarheid, en het enzym begint met de vertering van zetmeel.
Bij het slikken sluit de huig de neusholte af en het strotklepje de luchtpijp, waardoor het voedsel via de slokdarm naar de maag gaat.
Maag
In de maag wordt het voedsel gekneed en gemengd met maagsap. Dit sap bestaat uit water, zoutzuur (doodt bacteriën) en een enzym dat eiwitten gedeeltelijk verteert.
De maagportier, een kringspier, regelt de doorgifte van voedsel naar de twaalfvingerige darm en maakt de maag tot een tijdelijke opslagplaats.
Twaalfvingerige darm, lever, galblaas en alvleesklier
In de twaalfvingerige darm komen gal (uit de lever, opgeslagen in de galblaas) en alvleessap (uit de alvleesklier) bij de voedselbrij.
Gal bevat geen enzymen, maar zorgt voor het emulgeren van vetten, waardoor deze beter bereikbaar worden voor enzymen. Alvleessap bevat enzymen die eiwitten, koolhydraten en vetten verteren.
Dunne darm
De dunne darm (ongeveer zes meter lang) bevat darmsapklieren die darmsap afscheiden met enzymen om de vertering van eiwitten en koolhydraten af te maken.
De wand bevat darmplooien en darmvlokken, wat het oppervlak vergroot en zorgt voor een efficiënte opname van voedingsstoffen, verteringsproducten en water in het bloed. In de darmvlokken liggen bloedvaten en de wand is erg dun.
Dikke darm, blindedarm en endeldarm
De dikke darm onttrekt water aan de overgebleven voedselbrij. Bij onvoldoende opname ontstaat diarree. Cellulose uit plantaardig voedsel wordt deels afgebroken door bacteriën die cellulose verteren; de producten worden in het bloed opgenomen.
De blindedarm heeft geen functie bij de vertering. Bij een blindedarmontsteking is de appendix (het wormvormig aanhangsel) ontstoken. De endeldarm slaat de onverteerde resten op. De anus, een kringspier, regelt het legen van de endeldarm: de ontlasting.
Woordenlijst
- Alvleesklier: Een klier die alvleessap produceert en afgeeft aan de twaalfvingerige darm.
- Alvleessap: Een verteringssap met verschillende enzymen die eiwitten, koolhydraten en vetten verteren.
- Anus: Een kringspier die de endeldarm afsluit en waarlangs ontlasting het lichaam verlaat.
- Appendix: Het wormvormig aanhangsel aan de blindedarm dat kan ontsteken bij een blindedarmontsteking.
- Blindedarm: Een kort stuk aan het begin van de dikke darm zonder functie bij de vertering.
- Darmkanaal: Het lange kanaal van mond tot anus waar het voedsel doorheen gaat tijdens de vertering.
- Darmplooien: Plooien in de binnenwand van de dunne darm die het oppervlak voor opname vergroten.
- Darmsap: Een verteringssap met enzymen die de vertering van eiwitten en koolhydraten afmaken.
- Darmsapklieren: Klieren in de wand van de dunne darm die darmsap produceren.
- Darmvlokken: Kleine uitstulpingen op de darmplooien die voedingsstoffen opnemen in het bloed.
- Dikke darm: Een deel van de darm dat water aan de voedselresten onttrekt en de brij indikt.
- Emulgeren: Het verdelen van grote vetdruppels in kleinere druppels zodat enzymen beter kunnen werken.
- Gal: Een vloeistof die vetten verdeelt in kleine druppeltjes zodat ze beter kunnen worden verteerd.
- Galblaas: Een opslagplaats voor gal, die via de galbuis gal afgeeft aan de twaalfvingerige darm.
- Galbuis: Een buis die gal van de galblaas naar de twaalfvingerige darm vervoert.
- Lever: Een orgaan dat gal aanmaakt.
- Maag: Een orgaan dat voedsel tijdelijk opslaat, kneedt en vermengt met maagsap.
- Maagsap: Een verteringssap met water, zoutzuur en een enzym dat bacteriën doodt en eiwitten gedeeltelijk verteert.
- Maagsapklieren: Klieren in de maagwand die maagsap produceren.
- Maagportier: Een kringspier aan het eind van de maag die de doorgang naar de twaalfvingerige darm regelt.
- Ontlasting: De onverteerde voedselresten die via de anus het lichaam verlaten.
- Slokdarm: Een buis die voedsel door spierbewegingen van de keelholte naar de maag verplaatst.
- Speeksel: Een verteringssap dat bestaat uit water, slijm en een enzym; het maakt voedsel glad en begint de vertering van zetmeel.
- Speekselklieren: Klieren in de mondholte die speeksel produceren.
- Twaalfvingerige darm: Het eerste deel van de dunne darm waar gal en alvleessap worden toegevoegd aan de voedselbrij.
- Verteringssappen: Vloeistoffen met enzymen die helpen om voedingsstoffen af te breken.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 2.3 .