14.3 Het ademhalingsstelsel van de mens Samenvatting

Wat is gaswisseling?

Voor verbranding in je cellen heb je zuurstof nodig. Die haal je uit de lucht om je heen. Tegelijk ontstaat er afval in de vorm van koolstofdioxide, en die moet je weer uitademen. Dit proces – het opnemen van zuurstof en het afgeven van koolstofdioxide – noem je gaswisseling. Het vindt plaats in je longen, in de allerkleinste longblaasjes.

De weg van de lucht: van neus tot longblaasje

Als je inademt, stroomt de lucht via je neus of mond naar de neusholte of mondholte. Via de keelholte en het strottenhoofd komt de lucht in de luchtpijp. Deze buis splitst zich in twee bronchiën, die elk naar een long leiden. De bronchiën vertakken verder in luchtpijptakjes, die eindigen in de longblaasjes. Daar vindt uiteindelijk de gaswisseling plaats.

De beschermende rol van je neus

De neusholte zorgt ervoor dat de ingeademde lucht wordt gefilterd, verwarmd en vochtig gemaakt. Voorin zitten neusharen die grote stofdeeltjes tegenhouden. Verder naar binnen ligt het neusslijmvlies, met slijmproducerende cellen en trilharen. Het slijm vangt kleine stofdeeltjes en ziekteverwekkers, terwijl de trilharen het slijm naar de keel verplaatsen. Bloedvaatjes in het neusslijmvlies zorgen voor het opwarmen van de lucht. Helemaal bovenin liggen reukzintuigcellen die je waarschuwen voor gevaarlijke gassen.

De keelholte en slikbeweging

In de keelholte komen lucht en voedsel samen. Bij slikken sluit de huig de neusholte af en het strotklepje de luchtpijp. Zo gaat voedsel naar de slokdarm en niet je luchtpijp in. Als dit toch gebeurt, bijvoorbeeld tijdens lachen of praten, verslik je je en ga je hoesten.

Luchtwegen blijven open en schoon

De luchtpijp en bronchiën zijn verstevigd met kraakbeenringen, zodat ze niet kunnen dichtklappen. In de luchtpijptakjes zitten geen kraakbeenringen, maar wel spiertjes. Deze spiertjes kunnen de doorgang vernauwen bij prikkels zoals rook of kou. De binnenkant van deze buizen is bekleed met slijmvlies en trilharen, die vuil en slijm omhoog transporteren naar de keel. Bij dikke slijmlagen helpt hoesten om de luchtwegen schoon te houden.

Gaswisseling in de longblaasjes

De longblaasjes zijn kleine zakjes aan het uiteinde van de luchtpijptakjes. Rond elk longblaasje ligt een netwerk van longhaarvaten. De wanden van beide structuren zijn flinterdun, waardoor zuurstof makkelijk van de lucht in het bloed kan gaan, en koolstofdioxide de andere kant op. Omdat er miljoenen longblaasjes zijn, is het totale oppervlak enorm – wel zo groot als twee klaslokalen – en dat maakt de gaswisseling extra snel en efficiënt.

Wat adem je uit?

Inademingslucht bestaat vooral uit zuurstof en stikstof. Je lichaam gebruikt alleen zuurstof; de rest adem je gewoon weer uit. Door verbranding in je cellen ontstaat koolstofdioxide en waterdamp, en die adem je ook uit. Daarom bevat uitgeademde lucht meer koolstofdioxide en waterdamp dan ingeademde lucht.

Woordenlijst

  • Bronchiën: Twee vertakkingen van de luchtpijp die lucht naar de longen brengen.
  • Gaswisseling: Uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide tussen de lucht en het bloed.
  • Huig: Sluit de neusholte af tijdens het slikken.
  • Keelholte: Ruimte waar lucht en voedsel samenkomen en gescheiden worden.
  • Kraakbeenringen: Halve ringen die de luchtwegen openhouden.
  • Longblaasjes: Kleine luchtzakjes waar de gaswisseling plaatsvindt.
  • Longhaarvaten: Netwerk van kleine bloedvaatjes rondom de longblaasjes.
  • Luchtpijp: Buis die lucht van de keel naar de longen voert.
  • Luchtpijptakjes: Kleinste buisjes in de longen die lucht naar de longblaasjes brengen.
  • Neusharen: Haren in de neusholte die grote stofdeeltjes tegenhouden.
  • Neusholte: Holte waar lucht wordt gefilterd, verwarmd en bevochtigd.
  • Neusslijmvlies: Slijmvlies in de neusholte dat stof en ziekteverwekkers opvangt.
  • Strotklepje: Klepje dat de luchtpijp afsluit tijdens het slikken.
  • Trilharen: Beweeglijke haartjes die slijm naar de keel vervoeren.