12.5 De organen voor vertering Samenvatting
De weg van het voedsel
Voordat je lichaam iets met voedsel kan doen, moet het eerst worden afgebroken tot kleine deeltjes. Dat gebeurt in het verteringsstelsel. In je mondholte begint dit proces: je tanden en kiezen maken het voedsel klein en mengen het met speeksel. Dat slijmerige sap bevat een enzym dat zetmeel begint te verteren. Je tong duwt het voedsel naar de keel, waar de huig en het strotklepje zorgen dat het op de juiste plek terechtkomt – in de slokdarm, niet in de neus of luchtpijp.
Maag en dunne darm: kneden, mengen en opnemen
In de maag wordt het voedsel verder gekneed en gemengd met maagsap, dat bestaat uit water, maagzuur en een enzym voor het verteren van eiwitten. Het maagzuur doodt bacteriën. Aan het eind van de maag zit de maagportier, die steeds kleine hoeveelheden voedsel doorlaat naar de twaalfvingerige darm.
In deze darm komen gal (uit de lever) en alvleessap (uit de alvleesklier) bij het voedsel. Gal emulgeert vetten, waardoor ze in kleine druppeltjes uit elkaar vallen. Zo kunnen enzymen uit alvleessap beter hun werk doen. Daarna gaat de voedselbrij naar de dunne darm, waar met behulp van darmsap de vertering wordt afgemaakt en de voedingsstoffen via darmvlokken in het bloed worden opgenomen.
Water terugwinnen en afval afvoeren
Wat overblijft, komt in de dikke darm. Hier wordt water uit de voedselbrij gehaald, zodat het niet verloren gaat. In de dikke darm leven ook bacteriën die bijvoorbeeld vitamine K maken en soms cellulose kunnen afbreken. Uiteindelijk komt de overgebleven dikke massa in de endeldarm terecht: dit is je ontlasting. Als de endeldarm vol is, voel je aandrang en verlaat de ontlasting via de anus je lichaam.
Woordenlijst
- Alvleesklier: Orgaan dat alvleessap maakt met enzymen voor het verteren van eiwitten, vetten en koolhydraten.
- Alvleessap: Verteringssap met enzymen voor de vertering van eiwitten, koolhydraten en vetten.
- Anus: Kringspier die de uitgang van de endeldarm afsluit.
- Darmsap: Sap met enzymen die de laatste stap van de vertering doen.
- Dikke darm: Deel van de darm waar water wordt teruggewonnen en bacteriën vitamine K maken.
- Dunne darm: Lang darmdeel waar opname van voedingsstoffen in het bloed plaatsvindt.
- Emulgeren: Grote vetdruppels verdelen in kleine vetdruppeltjes.
- Endeldarm: Laatste deel van de darm waar ontlasting tijdelijk wordt opgeslagen.
- Gal: Vloeistof uit de lever die vetten emulgeert.
- Kiezen: Tanden die voedsel fijnmalen.
- Lever: Orgaan dat gal produceert.
- Maag: Orgaan waar voedsel gekneed wordt en gemengd met maagsap.
- Maagportier: Kringspier die kleine beetjes voedsel doorlaat naar de twaalfvingerige darm.
- Maagsap: Sap met maagzuur en enzym voor de vertering van eiwitten.
- Maagsapklieren: Klieren in de maagwand die maagsap maken.
- Maagzuur: Zuur in de maag dat bacteriën doodt en zorgt voor een lage pH.
- Mondholte: Plaats waar voedsel gekauwd wordt en speeksel toegevoegd wordt.
- Slokdarm: Buis die voedsel via peristaltiek naar de maag brengt.
- Speeksel: Slijmerig sap met enzym dat zetmeel afbreekt.
- Speekselklieren: Klieren die speeksel produceren.
- Tanden: Snijden voedsel in kleine stukjes.
- Tong: Duwt voedsel naar de keelholte om door te slikken.
- Twaalfvingerige darm: Eerste deel van de dunne darm waar gal en alvleessap bijkomen.
- Verteringsenzymen: Stoffen die voedingsstoffen afbreken tot opneembare deeltjes.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 12.5 .
Meer leren? Wikipedia – Vertering.