12.3 Soorten veranderen | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Wat was het eerste leven op aarde? A. Mossen B. Cyanobacteriën C. Vissen D. Algen 2. Hoe lang geleden ontstonden de eerste organismen op aarde? A. Ongeveer 1 miljard jaar geleden B. 500 miljoen jaar geleden C. Ongeveer 2 miljard jaar geleden D. Ongeveer 3,5 miljard jaar geleden 3. Welke functie had de ozonlaag bij het ontstaan van leven op land? A. Het hield schadelijke uv-straling tegen B. Het maakte fotosynthese mogelijk C. Het zorgde voor regen D. Het produceerde zuurstof 4. Wat betekent het begrip ‘evolutie’? A. Het uitsterven van soorten B. Het fokken van huisdieren C. Het langzaam veranderen en ontstaan van soorten D. Het selecteren van dieren 5. Welk kenmerk hoort bij gewervelde dieren? A. Ze hebben een wervelkolom en een schedel met kaken B. Ze leven in het water C. Ze hebben geen skelet D. Ze kunnen vliegen 6. Wat is natuurlijke selectie? A. Selectie van de sterkste door mensen B. Dieren kiezen zelf met wie ze paren C. Mensen kiezen welke dieren zich voortplanten D. Organismen met gunstige eigenschappen overleven en planten zich voort 7. Wat is een voorbeeld van erfelijke variatie? A. Verschillen in oogkleur bij mensen B. Het verschil in schoolprestaties C. Leren fietsen D. Het verschil in kledingstijl 8. Hoe noemen we het verdwijnen van allelen door selectie? A. Evolutie B. Mutatie C. Genetische erosie D. Veredeling 9. Waarom waren cyanobacteriën belangrijk voor het ontstaan van ander leven? A. Ze produceerden zuurstof B. Ze konden zich voortplanten op land C. Ze veroorzaakten zuur regenwater D. Ze hielden uv-straling tegen 10. Wat zie je in een verwantschapsschema? A. Welke soorten kunnen vliegen B. Welke soorten planten zich voort C. Welke soorten een gemeenschappelijke voorouder hebben D. Hoe oud een soort is 11. Wat betekent het begrip ‘homologe organen’? A. Organen die precies gelijk zijn bij elke soort B. Organen met hetzelfde bouwplan, maar een andere functie C. Organen die niet meer werken D. Organen met een andere vorm maar dezelfde functie 12. Welk dier hoort bij de ongewervelde dieren? A. Hond B. Salamander C. Vogel D. Kwal 13. Wat is ‘survival of the fittest’? A. Alleen de grootste dieren overleven B. Mensen helpen dieren overleven C. Organismen die het beste zijn aangepast overleven en planten zich voort D. Dieren zonder vijanden overleven 14. Wat is een mutatie? A. Een verandering in gedrag B. Een verandering in voedsel C. Een verandering in het DNA D. Een plotselinge temperatuurverandering 15. Wat is een voorbeeld van veredeling? A. Het isoleren van een populatie B. Het kruisen van tomaten met goede houdbaarheid C. Het vormen van de ozonlaag D. Het ontstaan van vissen uit amfibieën 16. Hoe ontstaan nieuwe soorten volgens Darwin? A. Door erfelijke variatie, natuurlijke selectie en isolatie B. Door selectie door mensen C. Door invriezen van DNA D. Door grote rampen 17. Wat gebeurt er bij isolatie? A. Dieren blijven bij elkaar B. Soorten komen niet meer met elkaar in contact C. Er ontstaan eencelligen D. Er ontstaan altijd mutaties 18. Waarom zijn genenbanken belangrijk? A. Om erfelijke eigenschappen te bewaren B. Voor het fokken van vee C. Om DNA te vernietigen D. Om dieren in te laten slapen 19. Hoe konden vogels op de Galapagoseilanden verschillende snavels krijgen? A. Door menselijk ingrijpen B. Door natuurlijke selectie op voedsel C. Door de ozonlaag D. Door het klimaat 21. Wat hebben alle gewervelde dieren gemeen? A. Ze zijn koudbloedig B. Ze hebben een wervelkolom C. Ze leven op het land D. Ze leggen eieren 22. Wat is een erfelijke eigenschap? A. Een eigenschap die in je genen zit B. Een eigenschap die je leert C. Een eigenschap van je omgeving D. Een eigenschap die je verandert 23. Waarom konden dieren pas later op het land leven? A. De ozonlaag hield uv-straling tegen B. De aarde werd kouder C. Er was regenwater D. Er kwamen bomen 24. Wat is het gevolg van natuurlijke selectie? A. Organismen veranderen elke generatie volledig B. Soorten passen zich beter aan hun omgeving aan C. DNA verdwijnt D. Er zijn minder soorten 24. Wat zie je bij embryo’s van gewervelden? A. Ze zijn meteen verschillend B. Ze hebben allemaal schubben C. Ze lijken in het begin sterk op elkaar D. Ze lijken helemaal niet op elkaar ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden