1. Welke genotype hoort/ horen bij een dominant fenotype?

Antwoord: Zowel AA als Aa

Voor elke eigenschap heb je twee genen. Eén heb je gekregen van je vader en één heb je gekregen van je moeder. Zodra er in het genotype één dominant gen aanwezig is (A), komt dit dominante gen tot uiting in het fenotype.
2. Welke genotype hoort/ horen bij een recessief fenotype?

Antwoord: Alleen aa

Voor elke eigenschap heb je twee genen. Eén heb je gekregen van je vader en één heb je gekregen van je moeder. Aangezien het hier om een recessief fenotype gaat kan er geen dominant gen aanwezig zijn.
3. Welke homozygote genotypes kennen we?

Antwoord: Zowel AA als aa

Homozygoot betekent dat deze twee genen voor de eigenschap gelijk zijn aan elkaar.
4. Welke heterozygote genotypes kennen we?

Antwoord: Alleen Aa

Heterozygoot betekent dat deze twee genen voor de eigenschap niet aan elkaar gelijk zijn.
[Deze informatie hoort bij vraag 5 en 6.] Een mannetje (AA) wordt gekruist met een vrouwtje (aa).
5. Welke mogelijke zaadcellen en eicellen kunnen er gemaakt worden?

Antwoord: A & a

Door de reductiedeling komt er van elke eigenschap maar één gen in de geslachtscel.
6. Welke genotypes zal/ zullen de F1 hebben?

Antwoord: Aa

Eén ouder geeft met zijn geslachtscel een grote A, de andere ouder een kleine a. De grote A zal dus versmelten met de kleine a.
[Deze informatie hoort bij vraag 7, 8 en 9.] Bij fruitvliegjes is het allel voor lange vleugels dominant over het allel voor korte vleugels.
7. Welke genotypes hoort/ horen bij een langvleugelig dier?

Antwoord: AA & Aa

In de vraag staat dat lange vleugels dominant is, de grote A. Zodra een fruitvlieg dus minimaal één grote A heeft, zal deze lange vleugels hebben.
8. Wat is het genotype van een kortvleugelig dier?

Antwoord: aa

In de vraag staat dat lange vleugels dominant is. Kortvleugelige dieren moeten dus kleine a en nog een kleine a hebben.
9. Wat is het genotype van de F1 als de twee ouders beide homozygoot zijn, maar elk een ander fenotype hebben?

Antwoord: Aa

De ene ouder zal AA zijn, de andere ouder aa. In de geslachtscellen zit dus een grote A en een kleine a.
Een mannetjes muis paart met tien verschillende homozygote bruine vrouwtjesmuizen. Alle nakomelingen worden bruin. Deze nakomelingen worden onderling gekruist en het resultaat daarvan is 299 bruine muizen en 109 witte muizen.
10. Welke haarkleur heeft de mannetjes muis en wat is zijn genotype?

Antwoord: Wit aa

De verhouding 299 bruine en 109 witte muizen is 3:1. Vader moet aa zijn, anders was de F1 niet volledig bruin geweest.
[Deze informatie hoort bij vraag 11, 12 en 13.] Twee zwarte vrouwelijke hamsters paren met hetzelfde zwarte mannetje. Na een aantal worpen heeft het eerste vrouwtje 73 zwarte jongen gekregen en het tweede vrouwtje 53 zwarte en 19 bruine jongen.
11. Welk allel is dominant?

Antwoord: Zwart

De verhouding 53 zwarte en 19 bruine muizen is 3:1. Drie krijgen het dominante fenotype (zwart) en één het recessieve (bruin). Ook omdat het eerste vrouwtje alleen zwarte jongen krijgt kun je ervan uitgaan dat zwart dominant is.
12. Wat is het genotype van het 2e vrouwtje en het mannetje?

Antwoord: Aa & Aa

De verhouding 53 zwarte en 19 bruine muizen is 3:1. De ouders van deze muizen hebben dus beide Aa als genotype.
13. Wat is het genotype van het 1e vrouwtje en het mannetje?

Antwoord: AA & Aa

Vader is Aa. Als alle nakomelingen van de eerste kruising zwart zijn, moet het eerste vrouwtje homozygoot dominant zijn: AA.
[Deze informatie hoort bij vraag 14 en 15.] Het allel voor korte vingers is bij mensen dominant over dat van normale vingers. Een man met korte vingers, waarvan de moeder normale vingers heeft, trouwt een vrouw met normale vingers.
14. Hoe groot is de kans dat hun eerste kind korte vingers heeft?

Antwoord: 50%

De man is Aa en de vrouw aa. De kans dat hun kind de grote A van vader krijgt is 50%.
15. En hoe groot is deze kans bij hun tweede kind?

Antwoord: 50%

Als de kans bij het eerste kind 50% is, is deze kans bij het tweede kind ook 50%.
[Deze informatie hoort bij vraag 16 en 17.] Een zebra met zwarte strepen wordt gekruist met een zebra met oranje strepen. 50% van de nakomelingen krijgen zwarte strepen en 50% krijgen oranje strepen. De oranje zebra is homozygoot.
16. Is de oranje zebra homozygoot recessief of homozygoot dominant?

Antwoord: Recessief

Als de zebra met oranje strepen homozygoot dominant (AA) zou zijn, zouden alle nakomelingen oranje strepen hebben. Dat is niet zo, dus moet de zebra homozygoot recessief (aa) zijn.
17. Wat is het genotype van de zwarte zebra?

Antwoord: Aa

Een verhouding van 1:1 ontstaat bij een kruising Aa x aa. De zebra met oranje strepen is aa, dus de zebra met zwarte strepen moet Aa zijn.
[Deze informatie hoort bij vraag 18 en 19.] Bij koeien is het allel voor een zwarte vacht dominant over het allel voor een rode vacht.
18. Kunnen uit twee zwarte dieren rode kalveren geboren worden?

Antwoord: Ja

Als beide ouders heterozygoot zijn (Aa), is er 25% kans dat een kalf aa is en dus rood.
19. Kunnen uit twee rode dieren zwarte kalveren geboren worden?

Antwoord: Nee

Rode koeien hebben genotype aa. Bij een kruising aa x aa ontstaat nooit een nakomeling met een grote A.
[Deze informatie hoort bij vraag 20 en 21.] Een vrouw met krullen paart met een man met steil haar. Beide zijn homozygoot.
20. Al hun kinderen krijgen krullen. Welk allel is recessief?

Antwoord: Steil

Omdat alle kinderen krullen hebben, is krullen dominant en steil haar recessief.
21. Wat zijn de genotype van de ouders geweest?

Antwoord: AA & aa

Als de hele F1 krullen heeft, zal de hele F1 een grote A hebben. Moeder zal AA zijn. Vader, die steil haar heeft, is aa. Theoretisch zou moeder ook Aa kunnen zijn.
[Deze informatie hoort bij vraag 22, 23 en 24.] Korte vingers is dominant over lange vingers. Een man waarvan de ouders beide lange vingers hadden krijgt kinderen met een vrouw die korte vingers heeft. Al hun kinderen zijn heterozygoot voor deze eigenschap.
22. Wat is het genotypen van de ouders van de man?

Antwoord: aa & aa

De ouders van de man hebben allebei lange vingers en zullen daarom allebei aa zijn. Met een grote A heb je korte vingers.
23. Wat is het genotypen van de man?

Antwoord: aa

De man krijgt van zijn beide ouders een kleine a.
24. Wat is het genotypen van de vrouw?

Antwoord: AA

De man is aa en alle nakomelingen zijn heterozygoot (Aa). De vrouw moet dus AA zijn. Theoretisch zou de vrouw ook Aa kunnen zijn.
Een zwart nijlpaard wordt gekruist met een wit nijlpaard. Het witte nijlpaard is homozygoot. De ouders van het zwarte nijlpaard waren allebei wit.
25. Hoeveel % van de nakomelingen zijn Aa?

Antwoord: 100%

De ouders van het zwarte nijlpaard waren allebei wit en moeten daarom Aa zijn. Het witte nijlpaard is homozygoot (AA). Bij AA x aa is de F1 voor 100% heterozygoot (Aa).
Score: 0%