11.3 Zwangerschap Samenvatting

Hoe veranderen moeder en kind?

In de eerste twaalf weken van de zwangerschap ontwikkelt het kindje zich razendsnel. Deze periode heet de embryonale fase, waarin alle organen ontstaan. Daarna groeit het kindje verder en wordt het een foetus. Hoewel de buik van de moeder dan nog nauwelijks verandert, voelt ze zich vaak anders: moe, misselijk en met vreemde eetwensen. Rond de twintigste week begint de buik te groeien en voelt de vrouw het kindje bewegen.

Doordat de foetus steeds groter wordt, moeten organen in de buik van de vrouw plaatsmaken. Daardoor kan ze last krijgen van brandend maagzuur of vaker moeten plassen. Ook groeien de borsten onder invloed van het hormoon progesteron, doordat melkklieren en vetweefsel toenemen.

Hoe leeft het kindje in de baarmoeder?

Het kindje groeit veilig in een met vruchtwater gevulde zak, omgeven door vruchtvliezen. Die beschermen tegen schokken van buitenaf. Op de plek van innesteling groeit de moederkoek, ook wel placenta genoemd. Dit orgaan zorgt voor de uitwisseling van stoffen tussen moeder en kind via de navelstreng.

Door de navelstrengader krijgt het kindje onder andere zuurstof en voeding van de moeder. Via de twee navelstrengslagaders voert het afvalstoffen terug. De placenta werkt als een filter, maar sommige schadelijke stoffen – zoals alcohol, nicotine of het rodehondvirus – kunnen toch doorheen komen. Die kunnen de ontwikkeling ernstig verstoren, vooral in het begin van de zwangerschap.

Als een vrouw alcohol drinkt tijdens de zwangerschap, kan het kindje het Foetaal Alcohol Syndroom krijgen. De hersenen groeien dan niet goed, wat leidt tot een verstandelijke beperking en groeiachterstand. Soms gaat het in de eerste weken mis met de ontwikkeling. Dan ontstaat een miskraam: het embryo sterft en wordt afgestoten.

Hoe stroomt het bloed in het kindje?

Voor de geboorte werken de longen en darmen nog niet. Daarom krijgt het kindje zuurstof via de navelstrengader. Die voert bloed naar de lever, waar het via de ductus venosus doorstroomt naar het hart. Dankzij het ovale venster gaat het bloed van de rechter- naar de linkerboezem en stroomt vervolgens naar de aorta.

Omdat de longen nog niet actief zijn, is er een slimme omleiding: de ductus Botalli. Die zorgt ervoor dat het meeste bloed de longen overslaat. Via de navelstrengslagaders stroomt het bloed terug naar de placenta. Na de geboorte sluiten deze speciale verbindingen, en start de baby met zelfstandig ademen.

Hoe gaat de bevalling?

Een wee is een samentrekking van de baarmoeder. Zes weken voor de geboorte begint het kindje in te dalen. Deze indaling betekent dat het met het hoofdje richting de baarmoedermond komt te liggen. De bevalling zelf bestaat uit drie fasen.

  • Ontsluiting: de baarmoedermond opent door regelmatige weeën. Vaak breken dan ook de vruchtvliezen.
  • Uitdrijving: sterke persweeën duwen de baby naar buiten.
  • Nageboorte: de placenta, vruchtvliezen en resten van de navelstreng komen naar buiten.

Na de geboorte ademt de baby zelf en wordt de navelstreng doorgeknipt. Als de baby niet goed ligt, bijvoorbeeld in stuitligging of dwarsligging, kan een keizersnede nodig zijn.

Hoe ontstaat een tweeling?

Een tweeling kan op twee manieren ontstaan. Bij een eeneiige tweeling splitst één bevruchte eicel zich, waardoor twee genetisch gelijke baby’s ontstaan. Bij een twee-eiige tweeling worden twee eicellen bevrucht, elk met een eigen zaadcel. Deze kinderen lijken evenveel op elkaar als gewone broers en zussen.

Bij een eeneiige tweeling kunnen de embryo’s een eigen of gezamenlijke placenta en vruchtvliezen hebben, afhankelijk van wanneer de splitsing plaatsvond. Een meerlingzwangerschap (bijv. drieling) komt zelden voor, maar geeft wel meer risico’s, zoals vroeggeboorte.

Woordenlijst

  • Ductus Botalli: Verbinding tussen longslagaders en aorta waardoor bloed de longen omzeilt.
  • Ductus venosus: Verbinding die zuurstofrijk bloed om de lever heen naar het hart leidt.
  • Dwarsligging: Situatie waarbij het kindje dwars in de baarmoeder ligt.
  • Eeneiige tweeling: Tweeling ontstaan uit één bevruchte eicel.
  • Embryonale fase: Eerste fase van de zwangerschap waarin alle organen ontstaan.
  • Foetus: Ongeboren kindje vanaf het moment dat de organen zijn gevormd.
  • Indaling: Het zakken van het kindje met het hoofd richting de baarmoedermond.
  • Keizersnede: Operatie waarbij de baby via een snee in de buik wordt geboren.
  • Moederkoek: Orgaan dat zorgt voor de uitwisseling van stoffen tussen moeder en kind (zie: placenta).
  • Nageboorte: Fase waarin placenta en vruchtvliezen naar buiten komen na de geboorte.
  • Navelstreng: Verbinding tussen foetus en placenta met bloedvaten.
  • Navelstrengader: Vervoert voeding en zuurstof van moeder naar kindje.
  • Navelstrengslagaders: Twee bloedvaten die afvalstoffen terug naar de moeder vervoeren.
  • Ontsluiting: Het opengaan van de baarmoedermond door weeën.
  • Ovale venster: Opening tussen boezems die bloed van rechts naar links laat stromen.
  • Placenta: Filterorgaan dat bloedvaten van moeder en kind dicht bij elkaar brengt.
  • Stuitligging: Situatie waarbij de baby met de billen naar beneden ligt.
  • Twee-eiige tweeling: Tweeling ontstaan uit twee bevruchte eicellen.
  • Uitdrijving: Fase waarin de baby door de vagina naar buiten wordt geperst.
  • Vruchtvliezen: Dunne lagen die een met vloeistof gevulde zak vormen om het kindje.
  • Vruchtwater: Vloeistof in de vruchtvliezen die het kindje beschermt.
  • Wee: Samentrekking van de baarmoeder om de bevalling op gang te brengen.