10.1 Het zenuwstelsel | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel? A. Spieren, zintuigen, en bloedvaten B. Kleine hersenen, klieren en zenuwen C. Grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg D. Hersenen, longen en hart 2. Wat verbindt het centrale zenuwstelsel met de rest van het lichaam? A. Klieren B. Spieren C. Bloedvaten D. Zenuwen 3. Hoe ontstaat een impuls? A. Door prikkels die zintuigcellen opvangen B. Door het samentrekken van je hart C. Door een klierafscheiding D. Door beweging van spieren 4. Wat is de functie van de hersenen in het zenuwstelsel? A. Spieren aansturen B. Bloed rondpompen C. Impulsen verwerken en reageren D. Klieren activeren 5. Welke van de volgende is géén onderdeel van het centrale zenuwstelsel? A. Zenuwen B. Ruggenmerg C. Hersenen D. Hersenenstam 6. Wat doen je hersenen met impulsen van zintuigen? A. Ze sturen ze naar je klieren B. Ze slaan ze op C. Ze verwerken ze zodat je je bewust wordt van prikkels D. Ze zetten ze om in hormonen 7. Wat gebeurt er na verwerking van een impuls in de hersenen? A. Je spieren ontspannen automatisch B. De hersenen sturen nieuwe impulsen naar spieren of klieren C. De prikkel wordt vergeten D. De hersenen stoppen met reageren 8. Wat is een voorbeeld van een klier? A. Speekselklier B. Spier C. Hart D. Oog 9. Wat is de functie van klieren? A. Spieren besturen B. Prikkels verwerken C. Stoffen produceren D. Impulsen doorgeven 10. Waarom begin je te watertanden bij het zien van bonbons? A. Omdat je honger hebt B. Omdat impulsen je speekselklieren activeren C. Omdat je maag begint te werken D. Omdat je hersenen zeggen dat je moet slikken 11. Wat is géén prikkel? A. Licht B. Geur C. Geluid D. Spier 12. Waarvoor zijn zintuigcellen gevoelig? A. Gedachten B. Prikkels zoals licht en geur C. Lichaamstemperatuur D. Beweging 13. Waar worden impulsen verwerkt? A. In de klieren B. In de ogen C. In de hersenen D. In de spieren 14. Wat is de functie van de hersenstam? A. Spierkracht versterken B. Verbinden van hersenen en ruggenmerg C. Spraak regelen D. Ogen aansturen 15. Welke volgorde is juist bij het reageren op een prikkel? A. Prikkel – spier – hersenen – klier B. Zintuig – prikkel – impuls – klier – reactie C. Prikkel – klier – spier – hersenen D. Prikkel – zintuig – impuls – hersenen – reactie 16. Wat is een zintuig? A. Een orgaan dat prikkels opvangt B. Een soort spier C. Een deel van de hersenen D. Een klier die reageert op impulsen 17. Wat regelt het zenuwstelsel? A. Alleen bewust gedrag B. Alleen de spieren C. De werking van spieren en klieren D. De spijsvertering 18. Hoe reageren armspieren op impulsen? A. Ze ontspannen B. Ze maken speeksel aan C. Ze trekken samen D. Ze krimpen 19. Welk deel van het zenuwstelsel verwerkt informatie? A. Zintuigen B. Hersenen C. Spieren D. Zenuwen 20. Welke structuur hoort niet bij het centrale zenuwstelsel? A. Ruggenmerg B. Kleine hersenen C. Grote hersenen D. Zenuwen 21. Wat is de rol van de ruggenmerg? A. Prikkels opvangen B. Hormonen aanmaken C. Impulsen doorgeven tussen hersenen en lichaam D. Speeksel produceren ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden