1.4 Dieren van vroeger Samenvatting
Hoe weten we wat er vroeger leefde?
Ook al zijn dieren als dinosaurussen al miljoenen jaren uitgestorven, toch weten paleontologen vrij goed hoe ze eruitzagen. Ze baseren zich op fossielen: overblijfselen van planten of dieren, zoals botten, tanden of afdrukken. Door deze resten te bestuderen kunnen onderzoekers een dier of plant reconstrueren. Zo ontdekten ze bijvoorbeeld dat de Archaeopteryx kenmerken had van zowel reptielen als vogels. Fossielen geven dus een beeld van het leven van vroeger.
Hoe ontstaan fossielen?
Fossielen ontstaan alleen onder heel speciale omstandigheden. Meestal vergaan dode dieren snel, maar als een dier snel wordt bedekt door zand of klei – bijvoorbeeld in een rivierdelta – is er een kans dat een fossiel ontstaat. Hier komt sediment bij kijken: laagjes zand, klei en schelpdeeltjes die zich opstapelen. Door de druk van steeds meer sedimentlagen en de warmte uit de aarde, raken de lagen samengeperst. Dit proces heet verstenen. Miljoenen jaren later kunnen erosie en aardverschuivingen ervoor zorgen dat zulke fossielen weer aan de oppervlakte komen.
Voorbeeld: een varenfossiel
Bijvoorbeeld: een varenblad werd bedekt met modder uit een overstroomde rivier. Deze modder versteende, en chemische reacties veranderden het blad in steenkool. Zo bleef de vorm goed bewaard.
Hoe weet je hoe oud een fossiel is?
De ouderdom van een fossiel bepaal je meestal door te kijken naar de laag waarin het zit. Die lagen – van oud naar nieuw – liggen op elkaar. Om nauwkeuriger te zijn, gebruiken onderzoekers gidsfossielen: soorten die kort leefden, maar overal voorkwamen. Als je zo'n fossiel vindt, weet je precies uit welke tijd die laag komt. Een goed voorbeeld is de ammoniet. Daarnaast kun je via chemisch onderzoek meten hoe snel stoffen zoals koolstof zijn veranderd, om zo de leeftijd van het fossiel te berekenen.
Woordenlijst
- Erosie: Het afslijten van de aarde door wind of water, waardoor oude lagen zichtbaar kunnen worden.
- Fossielen: Overblijfselen van planten of dieren uit het verre verleden, zoals botten, tanden of afdrukken.
- Gidsfossielen: Fossielen van soorten die kort leefden maar goed verspreid en herkenbaar zijn; ze helpen de ouderdom van lagen bepalen.
- Paleontologen: Onderzoekers die bestuderen hoe vroeger leven eruitzag door fossielen te bekijken.
- Reconstrueren: Het opnieuw namaken van vroegere organismen op basis van overgebleven resten.
- Rivierdelta: Gebied bij de monding van een rivier waar zand en klei worden afgezet, en dieren snel bedekt kunnen raken.
- Sediment: Laagje dat ontstaat uit zand, klei en schelpdeeltjes dat zich in de loop van de tijd opstapelt.
- Verstenen: Proces waarbij lagen zand en klei door druk en warmte veranderen in steen.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 1.4 .