1.4 Ademhalen Samenvatting

Gaswisseling

Bij het ademhalen verandert de samenstelling van de lucht: ingeademde lucht bevat meer zuurstof, uitgeademde lucht meer koolstofdioxide en waterdamp. In de longblaasjes vindt de gaswisseling plaats: zuurstof uit de lucht gaat naar het bloed en koolstofdioxide uit het bloed gaat naar de lucht.

Dit gebeurt snel doordat de longblaasjes een groot oppervlak en dunne wanden hebben. Bloed dat naar de longen stroomt, bevat weinig zuurstof en veel koolstofdioxide; na de gaswisseling is dit omgekeerd.

Borstademhaling

Schema van borstademhaling en buikademhaling met beweging van ribben, borstbeen, middenrif, borstholte en buik tijdens inademen en uitademen Bij borstademhaling bewegen de ribben en het borstbeen door het aanspannen van de tussenribspieren. Bij het inademen bewegen ribben en borstbeen omhoog, waardoor de borstholte groter wordt en lucht naar binnen stroomt.

Bij het uitademen ontspannen de spieren, waardoor de borstholte kleiner wordt en lucht naar buiten stroomt.

Buikademhaling

Bij buikademhaling (ook wel middenrifademhaling) beweegt het middenrif omlaag tijdens het inademen, wat zorgt voor een grotere borstholte en luchtinstroom. De buikwand komt naar voren doordat de organen in de buikholte worden weggeduwd.

Bij uitademen ontspant het middenrif, beweegt omhoog en wordt lucht naar buiten geperst doordat de borstholte kleiner wordt.

Ademhalingsspieren

De spieren die je gebruikt om te ademen zijn de ademhalingsspieren: het middenrif, de buikspieren, de tussenribspieren en bij diepe ademhaling ook de spieren rond het sleutelbeen. Zowel borst- als buikademhaling werken samen tijdens een normale, rustige ademhaling.

Woordenlijst

  • Ademhalingsspieren: Spieren die zorgen voor het in- en uitademen, zoals het middenrif, de buikspieren, de tussenribspieren en de spieren bij het sleutelbeen.
  • Borstademhaling: Manier van ademen waarbij de ribben en het borstbeen omhoog en omlaag bewegen, waardoor de borstholte groter of kleiner wordt.
  • Buikademhaling: Manier van ademen waarbij het middenrif en de buikwand bewegen, waardoor de borstholte groter of kleiner wordt.
  • Gaswisseling: Proces waarbij zuurstof uit de lucht wordt opgenomen in het bloed en koolstofdioxide uit het bloed wordt afgegeven aan de lucht in de longblaasjes.