1.3 Onderzoek doen Samenvatting
Hoe doe je onderzoek?
Als je zelf een natuurwetenschappelijk onderzoek wilt doen, begin je met een onderzoeksvraag. Zo’n vraag richt zich altijd op één ding tegelijk. Vervolgens bedenk je wat het antwoord zou kunnen zijn: dat is je hypothese. Daarna stel je een werkplan op met daarin je werkwijze en de benodigdheden. Door deze stappen te volgen, kun je onderzoek doen dat anderen kunnen herhalen.
Hoe maak je een werkplan?
In het werkplan staat hoe je het onderzoek uitvoert. Je beschrijft:
- De werkwijze: wat je precies gaat doen, wanneer en hoe vaak.
- De proefopstelling: hoe je alles klaarzet, bijvoorbeeld het aantal bakjes of meetmomenten.
- De benodigdheden: welke spullen je nodig hebt.
Wil je iets onderzoeken dat te groot is om in z’n geheel te bekijken, zoals alle leerlingen op school of een weiland? Dan gebruik je een steekproef of een proefvlak.
Hoe verwerk je resultaten?
De resultaten van je onderzoek verzamel je in lijsten, tabellen of diagrammen. Bij tellingen gebruik je vaak een turflijst. Die kun je omzetten in een tabel of een staafdiagram, waarin je de aantallen in staven ziet.
Welke soorten diagrammen zijn er?
Een lijndiagram gebruik je om veranderingen in de tijd te laten zien. De lijn in zo’n diagram heet een grafiek. Wil je percentages weergeven? Dan maak je een cirkeldiagram of taartpuntdiagram. In de legenda staat welke kleur bij welke categorie hoort.
Hoe trek je een conclusie?
Tot slot bekijk je je resultaten en beantwoord je de onderzoeksvraag. Deze samenvatting heet de conclusie. Je vergelijkt je uitkomsten met je hypothese, maar voegt geen nieuwe informatie toe.
Woordenlijst
- Benodigdheden: De spullen die je nodig hebt om het onderzoek uit te voeren.
- Cirkeldiagram: Een ronde afbeelding waarin je de verdeling van percentages laat zien.
- Conclusie: Een antwoord dat je geeft op de onderzoeksvraag door naar de resultaten te kijken, zonder nieuwe informatie toe te voegen.
- Experiment: Een proef waarmee je door middel van handelingen of metingen antwoord probeert te krijgen op een onderzoeksvraag.
- Grafiek: De lijn in een lijndiagram die laat zien hoe de gemeten waarden veranderen.
- Hypothese: Een mogelijk antwoord dat je vooraf bedenkt op de vraag die je gaat onderzoeken.
- Legenda: Een uitleg waarin staat welke kleur of symbool bij welke gegevens hoort.
- Lijndiagram: Een afbeelding waarin je meetpunten verbindt met een lijn, zodat je kunt zien hoe iets toe- of afneemt.
- Lijst: Een overzicht waarin je metingen of informatie noteert.
- Onderzoeksvraag: Een vraag waarop je een antwoord wilt vinden en waarbij je maar één ding tegelijk onderzoekt.
- Proefopstelling: De manier waarop je een proef neerzet of organiseert, zoals hoeveel bakjes of materialen je tegelijk gebruikt.
- Proefvlak: Een klein stukje van een groter gebied dat je onderzoekt om te weten wat er in het hele gebied voorkomt.
- Resultaten: Waarnemingen, tellingen of metingen die je tijdens het onderzoek verzamelt en verwerkt.
- Staafdiagram: Een afbeelding waarin je aantallen laat zien met staven waarvan de hoogte de hoeveelheid aangeeft.
- Steekproef: Een kleiner deel van een grotere groep dat je onderzoekt om toch iets te kunnen zeggen over de hele groep.
- Taartpuntdiagram: Een ronde afbeelding waarin elk deel als een gekleurde punt te zien is; dit is een andere naam voor het cirkeldiagram.
- Tabel: Een overzicht in vakjes waarin je getallen of gegevens duidelijk weergeeft.
- Turflijst: Een overzicht waarin je bijhoudt hoe vaak iets voorkomt door streepjes te zetten.
- Werkplan: Een beschrijving van hoe en wanneer je het onderzoek uitvoert, met de werkwijze en de spullen die nodig zijn.
- Werkwijze: Een uitleg van de manier waarop je het beste antwoord op de onderzoeksvraag kunt krijgen, inclusief wat je doet en wanneer.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 1.3 .