1.2 Verbranding Samenvatting

Energie

Schema van verbranding in cellen met glucose en zuurstof die worden omgezet in water, koolstofdioxide en energie In het lichaam wordt glucose afgebroken om energie vrij te maken. Deze energie is nodig voor allerlei functies, zoals beweging en het op peil houden van de lichaamstemperatuur (ongeveer 37 °C). Deze afbraak van glucose noemen we verbranding. Hiervoor is geen vuur nodig, maar wel een brandstof. In dit geval is glucose de brandstof die cellen gebruiken.

Verbranding vindt plaats in alle cellen, dag en nacht. Zonder verbranding sterven cellen af. Dit geldt voor alle levende cellen, zowel bij mensen als bij andere organismen.

Zuurstof en koolstofdioxide

Voor verbranding is naast glucose ook zuurstof nodig. Dit proces lijkt op wat er gebeurt bij een brandende kaars: zonder zuurstof dooft het vuur. In het lichaam leidt verbranding tot de productie van water en koolstofdioxide als afvalstoffen, en daarbij komt energie vrij:

glucose + zuurstof → water + koolstofdioxide + energie

De vrijgekomen energie wordt gebruikt voor beweging en zorgt ook voor warmte. Deze warmte wordt afgegeven aan de omgeving.

Wanneer je lichamelijk actief bent, heb je meer energie nodig. Daardoor vindt er meer verbranding plaats. Hart en longen gaan harder werken om voldoende glucose en zuurstof aan te voeren en om de afvalstoffen sneller af te voeren.

Woordenlijst

  • Brandstof: Stof die nodig is voor verbranding; in cellen is dat glucose, waarmee energie wordt gemaakt.
  • Verbranding: Afbraak van glucose in cellen waarbij energie vrijkomt voor beweging en warmte.
  • Glucose: Een suiker die dient als belangrijkste brandstof voor cellen.
  • Zuurstof: Gas dat nodig is voor de verbranding van glucose in cellen.
  • Koolstofdioxide: Afvalstof die bij verbranding vrijkomt en wordt uitgeademd.