FAQ – Thema 1. Organen en cellen
1.1 Organismen
Wat zijn organismen?

Organismen zijn levende wezens die alle levenskenmerken vertonen, zoals groei, reageren op prikkels en voortplanting.

Welke levenskenmerken horen bij alle organismen?

Groei, ontwikkeling, reageren op prikkels, stofwisseling en voortplanting horen bij alle organismen.

Wat gebeurt er bij groei van een organisme?

Bij groei wordt een organisme groter en zwaarder.

Wat betekent ontwikkeling bij een organisme?

Bij ontwikkeling verandert de bouw of het gedrag van een organisme.

Hoe reageren organismen op prikkels?

Organismen nemen prikkels zoals licht of geur waar en reageren door bijvoorbeeld te bewegen.

Wat is stofwisseling?

Stofwisseling is het omzetten van stoffen in andere stoffen in het lichaam.

Waarom heeft een organisme voeding nodig?

Voeding levert stoffen die nodig zijn voor de stofwisseling en als bouw- en brandstof.

Hoe speelt ademhaling een rol bij de stofwisseling?

Bij de ademhaling neemt een organisme zuurstof op die nodig is om stoffen in het lichaam om te zetten.

Waarom scheiden organismen afvalstoffen uit?

Afvalstoffen ontstaan bij de stofwisseling en worden uitgescheiden om het lichaam gezond te houden.

Wat is voortplanting?

Voortplanting is het krijgen van nakomelingen.

Wat verstaan we onder de levensloop van een mens?

De levensloop is de reeks levensfasen van geboorte tot overlijden.

Waarom veranderen lichaamsverhoudingen tijdens de groei?

Verschillende lichaamsdelen groeien niet even snel, waardoor de verhoudingen veranderen.

Wanneer stopt de lichamelijke groei meestal?

De lichamelijke groei stopt rond het achttiende levensjaar.

Hoe verandert de geestelijke ontwikkeling in de loop van het leven?

Geestelijke ontwikkeling gaat langer door en beïnvloedt bijvoorbeeld smaak en voorkeuren.

Waarom verschillen kinderen in hun tempo van ontwikkeling?

Mensen ontwikkelen zich verschillend doordat iedereen uniek is en zijn eigen tempo heeft.

Wat zijn de kenmerken van de babyfase?

Een baby groeit snel en leert onder andere zitten en reageren op anderen.

Welke ontwikkelingen vinden plaats in de peuterfase?

Peuters leren praten, lopen en simpele bouwwerken maken.

Wat kenmerkt de puberteit?

In de puberteit treedt een groeispurt op en ontstaan lichamelijke veranderingen en nieuwe gevoelens.

Wat gebeurt er in de adolescentiefase?

Adolescenten worden steeds zelfstandiger.

Wat zijn kenmerken van de oudere levensfase?

Ouderen krijgen vaker te maken met lichamelijke en soms geestelijke problemen.

1.2 De bouw van een organisme
Wat is een orgaanstelsel?

Een orgaanstelsel is een groep organen die samen werken aan één of meer taken in het lichaam.

Welke voorbeelden van orgaanstelsels zijn er?

Voorbeelden zijn het verteringsstelsel en het ademhalingsstelsel.

Wat is een orgaan?

Een orgaan is een deel van een organisme met één of meer functies.

Waaruit bestaan organen?

Organen bestaan uit weefsels die op hun beurt uit cellen bestaan.

Wat is een cel?

Een cel is het kleinste bouwsteentje van een organisme.

Hoe ziet een cel er in werkelijkheid uit?

Een cel heeft diepte, maar lijkt plat als je hem onder een microscoop bekijkt.

Waarom hebben cellen verschillende vormen?

De vorm van een cel hangt samen met zijn functie.

Wat is een weefsel?

Een weefsel is een groep cellen met dezelfde vorm en functie.

Hebben organen meerdere weefsels?

Ja, veel organen bestaan uit verschillende soorten weefsels.

Wat is tussencelstof?

Tussencelstof is materiaal dat tussen cellen zit en een specifieke functie heeft, zoals steun of bescherming.

Waaruit bestaat de tussencelstof in botweefsel?

In botweefsel bestaat de tussencelstof uit een harde kalkachtige stof.

Waarom is beenweefsel stevig?

Beenweefsel is stevig door de harde tussencelstof en doordat botcellen via uitlopers met elkaar verbonden zijn.

Wat zijn organisatieniveaus in de biologie?

Organisatieniveaus zijn de verschillende niveaus waarop je organismen kunt onderzoeken, van groot naar klein.

Welke organisatieniveaus zijn er?

De niveaus zijn organisme, orgaanstelsel, orgaan, weefsel en cel.

Hoe werken organisatieniveaus samen?

Ze beïnvloeden elkaar voortdurend en werken samen om functies in het lichaam uit te voeren.

Waarom reageren cellen en organen op elkaar?

Ze moeten samenwerken om beweging, groei en andere processen mogelijk te maken.

Wat gebeurt er als je tegen een bal schopt?

Meerdere orgaanstelsels zoals je skelet, spieren en zintuigen werken samen om de beweging mogelijk te maken.

Wat bepaalt de functie van een spiercel?

De bouw en vorm van een spiercel bepalen dat deze kan samentrekken.

Welke rol speelt tussencelstof in verschillende weefsels?

Tussencelstof zorgt voor stevigheid, bescherming of verbinding tussen cellen, afhankelijk van het weefsel.

Hoe ontstaat samenwerking binnen een organisme?

Door de afstemming tussen organen, weefsels en cellen die samen processen uitvoeren.

1.3 Cellen van dieren en planten
Wat is een dierlijke cel?

Een dierlijke cel is een cel met een celmembraan, cytoplasma en een celkern die alles in de cel regelt.

Waaruit bestaat het cytoplasma?

Cytoplasma bestaat uit water met opgeloste stoffen en vult het grootste deel van de cel.

Wat is de functie van de celkern?

De celkern stuurt alle processen in de cel aan.

Wat is het celmembraan?

Het celmembraan is een dun vlies dat de cel omsluit en stoffen in en uit de cel regelt.

Welke extra onderdelen hebben plantencellen?

Plantencellen hebben vacuolen, een celwand en vaak korrels zoals bladgroen- of zetmeelkorrels.

Wat is een vacuole?

Een vacuole is een vochtblaasje met water en opgeloste stoffen.

Waarom ligt het cytoplasma bij oudere plantencellen in een dunne laag?

Omdat kleine vacuolen samensmelten tot één grote vacuole.

Wat is de celwand?

De celwand is een stevige laag om de cel die voor ondersteuning zorgt en niet tot de cel zelf behoort.

Wat zijn intercellulaire ruimten?

Dat zijn holten tussen celwanden die gevuld zijn met lucht of water.

Welke typen korrels komen voor in plantencellen?

In plantencellen komen bladgroenkorrels, kleurstofkorrels en zetmeelkorrels voor.

Wat is de functie van bladgroenkorrels?

In bladgroenkorrels vindt fotosynthese plaats waarbij glucose wordt gevormd.

Waarom hebben planten een groene kleur?

Omdat bladgroenkorrels groen van kleur zijn en in de bladeren zitten.

Waar komen kleurstofkorrels voor?

Kleurstofkorrels zitten in bloemen en vruchten met opvallende kleuren.

Wat is de functie van zetmeelkorrels?

Zetmeelkorrels slaan zetmeel op als reservestof.

Kunnen korrels veranderen van type?

Ja, bijvoorbeeld bladgroenkorrels kunnen veranderen in kleurstofkorrels.

Waarom verandert een onrijpe mandarijn van kleur?

Omdat groene bladgroenkorrels veranderen in oranje kleurstofkorrels.

Wat is het kernmembraan?

Het kernmembraan is een dun vlies om de celkern.

Waarom zijn dierlijke cellen vaak rond of onregelmatig van vorm?

Omdat zij geen celwand hebben die voor extra stevigheid zorgt.

Waarom liggen plantencellen vaak in een vast patroon?

Door de stevige celwand passen ze strak tegen elkaar.

Welke delen hebben zowel dierlijke als plantaardige cells?

Ze hebben allebei een celmembraan, cytoplasma, een celkern en een kernmembraan.

1.4 Chromosomen
Wat zijn chromosomen?

Chromosomen zijn lange dunne draden van DNA en eiwitten die de informatie voor erfelijke eigenschappen bevatten.

Waar bevinden chromosomen zich?

Chromosomen bevinden zich in de celkern.

Waarom zijn chromosomen meestal niet zichtbaar?

Ze zijn te dun om te zien en worden pas zichtbaar wanneer een cel zich gaat delen.

Waaruit bestaat een chromosoom?

Een chromosoom bestaat uit DNA dat om eiwitten gewonden is.

Wat bepaalt je erfelijke eigenschappen?

Je erfelijke eigenschappen worden bepaald door de informatie in je DNA.

Waarom worden chromosomen zichtbaar tijdens de celdeling?

Ze spiraliseren en worden daardoor korter en dikker, waardoor je ze kunt zien onder de microscoop.

Wat is een chromosomenpaar?

Een chromosomenpaar bestaat uit twee chromosomen die dezelfde erfelijke eigenschappen bevatten.

Wat is een chromosomenportret?

Dat is een gerangschikte afbeelding van alle chromosomenparen op volgorde van grootte en vorm.

Hoeveel chromosomen heeft een menselijke lichaamscel?

Een menselijke lichaamscel bevat 46 chromosomen, oftewel 23 paren.

Waarom is het aantal chromosomen altijd een even getal?

Omdat chromosomen in paren voorkomen.

Welke cellen bevatten 46 chromosomen?

Lichaamscellen zoals huid-, lever- en spiercellen bevatten 46 chromosomen.

Wat is het verschil tussen lichaamscellen en geslachtscellen?

Lichaamscellen hebben chromosomenparen, terwijl geslachtscellen enkelvoudige chromosomen hebben.

Waarom lijken chromosomenparen op elkaar?

Ze zijn vrijwel gelijk in vorm en grootte en bevatten informatie voor dezelfde eigenschappen.

Wat gebeurt er met chromosomen als een cel zich gaat delen?

Ze spiraliseren en worden zichtbaar, waarna ze verdeeld worden over nieuwe cellen.

Waarom is DNA zo lang?

DNA bevat veel informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een organisme.

Wat betekent erfelijke informatie?

Erfelijke informatie is de informatie in het DNA die bepaalt hoe je eruitziet en hoe je lichaam functioneert.

Hoeveel chromosomenparen heeft de mens?

De mens heeft 23 chromosomenparen.

Waarom bevatten verschillende organismen verschillende aantallen chromosomen?

Elk soort organisme heeft een eigen vast aantal chromosomen in zijn lichaamscellen.

Wat is de functie van eiwitten in chromosomen?

Eiwitten helpen om het lange DNA te organiseren en op te rollen.

Wanneer zijn chromosomen goed te bestuderen?

Chromosomen zijn het best te zien tijdens een celdeling, wanneer ze gespiraliseerd zijn.

1.5 Gewone celdeling (mitose)
Wat is het doel van gewone celdeling?

Gewone celdeling zorgt voor de vorming van nieuwe lichaamscellen voor groei, herstel en vervanging.

Waarom maakt je lichaam nieuwe cellen?

Nieuwe cellen zijn nodig om te groeien, beschadigd weefsel te herstellen en afgestorven cellen te vervangen.

Wat gebeurt er tijdens kerndeling?

Bij kerndeling splitst de celkern zich in tweeën, zodat elke nieuwe cel een eigen kern krijgt.

Wat gebeurt er bij de celdeling zelf?

Het cytoplasma verdeelt zich in tweeën waardoor twee afzonderlijke cellen ontstaan.

Wat is plasmagroei?

Plasmagroei is het aanvullen van cytoplasma in de dochtercellen zodat ze weer op grootte komen.

Hoeveel cellen ontstaan er uit één moedercel?

Uit één moedercel ontstaan twee identieke dochtercellen.

Waarom bevatten dochtercellen dezelfde informatie als de moedercel?

Omdat het DNA tijdens de voorbereiding van de deling wordt gekopieerd.

Wat gebeurt er met de DNA-ketens aan het begin van de celdeling?

Elke DNA-keten maakt een nauwkeurige kopie van zichzelf.

Waarom spiraliseren chromosomen?

Ze rollen op waardoor ze korter en dikker worden en beter te verdelen zijn.

Wanneer zijn chromosomen zichtbaar onder een microscoop?

Chromosomen zijn zichtbaar vanaf het begin van de celdeling wanneer ze gespiraliseerd zijn.

Wat gebeurt er als chromosomen in het midden van de cel liggen?

Ze worden verdeeld doordat de originele en gekopieerde DNA-ketens uit elkaar gaan.

Hoe worden de DNA-ketens verdeeld over de dochtercellen?

Elke dochtercel krijgt één van de twee DNA-ketens van elk chromosoom.

Waarom zijn dochtercellen exacte kopieën van elkaar?

Omdat zij dezelfde erfelijke informatie krijgen via de gescheiden DNA-ketens.

Wat ontstaat er tussen de twee nieuwe kernen?

Twee nieuwe celmembranen ontstaan en scheiden het cytoplasma.

Waarom zijn chromosomen soms niet zichtbaar?

Buiten de celdeling zijn ze dun en lang, waardoor ze onzichtbaar zijn onder de microscoop.

Wat is mitose?

Mitose is de gewone celdeling waarbij twee identieke dochtercellen gevormd worden.

Waarom is mitose belangrijk voor groei?

Door mitose ontstaan er steeds nieuwe cellen waardoor een organisme groter wordt.

Hoe helpt mitose bij het herstellen van wonden?

Beschadigde of dode cells worden vervangen door nieuwe cells die ontstaan door mitose.

Welke stappen vormen samen de gewone celdeling?

De stappen zijn kerndeling, celdeling en plasmagroei.

Wat is het eindresultaat van de gewone celdeling?

Twee nieuwe cellen die even groot worden als de oorspronkelijke moedercel.

1.6 Reductiedeling (meiose)
Wat is reductiedeling?

Reductiedeling is een celdeling waarbij het aantal chromosomen wordt gehalveerd.

Waarom heet reductiedeling zo?

Omdat het aantal chromosomen vermindert van paren naar enkelvoudige chromosomen.

Welke cellen ontstaan door meiose?

Door meiose ontstaan geslachtscellen zoals eicellen en zaadcellen.

Waarom hebben geslachtscellen maar 23 chromosomen?

Omdat ze van elk chromosomenpaar slechts één chromosoom krijgen.

Wat is het verschil tussen een zaadcel en een eicel?

Een zaadcel is klein en heeft een zweepstaart, een eicel is groot en heeft geen zweepstaart.

Wat gebeurt er aan het begin van de meiose?

De DNA-ketens worden gekopieerd en de chromosomen worden zichtbaar.

Waarom liggen chromosomen midden in de cel?

Daar worden ze verdeeld zodat elke nieuwe cel chromosomen krijgt.

Wat gebeurt er met chromosomenparen tijdens meiose?

De paren gaan uit elkaar zodat elke dochtercel één van beide chromosomen krijgt.

Waarom ontstaan er vier cellen bij meiose?

Omdat de cel tweemaal deelt: eerst de paren uit elkaar, daarna de DNA-ketens apart.

Wat betekent enkelvoudige chromosomen?

Dat een cel van elk chromosoom nog maar één exemplaar heeft.

Wanneer zijn chromosomen zichtbaar tijdens meiose?

Ze zijn zichtbaar wanneer ze korter en dikker worden door spiralisatie.

Wat gebeurt er in de tweede deling van de meiose?

De twee DNA-ketens van elk chromosoom gaan uit elkaar, net als bij mitose.

Wat gebeurt er bij bevruchting?

De kern van een zaadcel versmelt met de kern van een eicel waardoor chromosomenparen ontstaan.

Waarom vormen bevruchte eicellen weer paren?

Omdat de 23 chromosomen van de zaadcel samengaan met de 23 chromosomen van de eicel.

Wat zijn geslachtschromosomen?

Dat zijn chromosomen die de erfelijke informatie voor het geslacht bevatten.

Welke geslachtschromosomen heeft een meisje?

Een meisje heeft twee X-chromosomen: XX.

Welke geslachtschromosomen heeft een jongen?

Een jongen heeft een X- en een Y-chromosoom: XY.

Welk chromosoom bepaalt het geslacht van een baby?

Het chromosoom in de zaadcel bepaalt het geslacht.

Waarom bepaalt de zaadcel het geslacht?

Omdat een eicel altijd een X-chromosoom bevat en een zaadcel een X- of Y-chromosoom.

Wat is het eindresultaat van meiose?

Vier geslachtscellen met elk 23 enkelvoudige chromosomen.