5.4 Voortplanten Samenvatting
Waarvoor krijgen planten bloemen?
Bloemen zijn essentieel voor de voortplanting van planten. Ze bestaan uit verschillende delen:
- Bloembodem: Houdt de andere onderdelen vast.
- Kelkbladeren: Beschermen de bloem in de knop tegen kou en beschadiging.
- Kroonbladeren: Gekleurd en aantrekkelijk voor insecten.
- Meeldraden: Produceren stuifmeelkorrels (mannelijke voortplantingscellen).
- Stamper: Bevat eicellen (vrouwelijke voortplantingscellen) in het vruchtbeginsel.
De meeldraden en stamper zijn de voortplantingsorganen. Wanneer een stuifmeelkorrel een eicel bereikt, vormen ze samen een zaadje dat kan uitgroeien tot een nieuwe plant. Deze samenwerking van mannelijke en vrouwelijke cellen lijkt op de voortplanting bij mensen.
Hoe komt stuifmeel op de stamper?
Bestuiving is het overbrengen van stuifmeel van de meeldraden naar de stamper. Dit kan op verschillende manieren gebeuren:
- Insectenbloemen: Insecten zoals bijen eten nectar en nemen daarbij stuifmeel mee. Dat blijft aan de kleverige stempel van een andere bloem plakken.
- Windbloemen: Kleine, onopvallende bloemen zonder geur. Hun meeldraden en stampers steken uit zodat de wind het stuifmeel kan verspreiden.
Er zijn twee soorten bestuiving:
- Kruisbestuiving: Stuifmeel komt op bloemen van een andere plant van dezelfde soort.
- Zelfbestuiving: Stuifmeel komt op bloemen van dezelfde plant terecht.
Hoe ontstaan zaden?
Na bestuiving groeit een stuifmeelbuis uit de stuifmeelkorrel door de stijl naar het vruchtbeginsel. Daar versmelt de celkern van de stuifmeelkorrel met die van een eicel. Dit heet bevruchting.
Na bevruchting:
- verschrompelen de kroon- en kelkbladeren,
- groeit het vruchtbeginsel uit tot een vrucht,
- en ontwikkelen de zaadbeginsels zich tot zaden.
De zaden bevinden zich in de vrucht, zoals tomatenpitjes of appelzaadjes.
Hoe krijgt een kiem voedingsstoffen?
Bij ontkieming ontvangt de kiem voedingsstoffen via de navelstreng, die het zaadbeginsel verbindt met het vruchtbeginsel. Het reservevoedsel in de zaadlobben voedt de kiem in de eerste groeifase.
Zodra de kiemwortel water en mineralen opneemt, kan de kiemplant zelf glucose maken via fotosynthese in de groene blaadjes. Naarmate de plant groeit, worden de zaadlobben kleiner en vallen ze af.
Hoe worden zaden verspreid?
Zaadverspreiding voorkomt dat zaden te dicht bij de moederplant groeien en zorgt dat ze voldoende water, licht en ruimte krijgen. Dit gebeurt op drie manieren:
- Wind: Lichte zaden, zoals die van de paardenbloem, worden door de wind meegenomen.
- Dieren: Stekelige vruchten blijven aan vacht hangen of worden gegeten; de zaden worden verderop uitgepoept.
- De plant zelf: Sommige vruchten knappen open bij uitdroging of aanraking en schieten de zaden weg.
Woordenlijst
- Bevruchting: Het samensmelten van de celkernen van stuifmeelkorrel en eicel.
- Bestuiving: Het overbrengen van stuifmeel van de meeldraden naar de stamper.
- Bloembodem: Deel van de bloem waar de andere delen op vastzitten.
- Eenjarige planten: Planten die ontkiemen in het voorjaar, bloeien in de zomer, zaden vormen in de herfst en afsterven in de winter.
- Helmknop: Deel van een meeldraad waarin stuifmeelkorrels ontstaan.
- Helmdraad: Onderste deel van een meeldraad.
- Houtachtige planten: Planten waarbij houtstof voor de stevigheid zorgt.
- Insectenbloemen: Gekleurde bloemen die door insecten worden bestoven.
- Kelkbladeren: Groene blaadjes die de bloem in de knop beschermen tegen kou en beschadiging.
- Kroonbladeren: Felgekleurde blaadjes die insecten lokken.
- Kruisbestuiving: Stuifmeel komt op bloemen van een andere plant van dezelfde soort.
- Levenscyclus: Kring van gebeurtenissen uit het leven van een organisme.
- Meeldraden: Mannelijke voortplantingsorganen van de plant; maken stuifmeelkorrels.
- Meerjarige planten: Planten waarvan in de winter alleen de bovengrondse plantendelen afsterven.
- Nectar: Zoete vloeistof die insecten eten.
- Nectarkliertjes: Orgaantjes in de bloem die nectar produceren.
- Stamper: Vrouwelijk voortplantingsorgaan van de plant; bevat de zaadbeginsels met eicellen.
- Stempel: Bovenste deel van de stamper waar stuifmeel aan blijft plakken.
- Stuifmeelbuis: Buisje dat na de bestuiving uit een stuifmeelkorrel groeit.
- Stuifmeelkorrels: Mannelijke voortplantingscellen; ontstaan in de helmknoppen.
- Stijl: Middelste deel van de stamper tussen stempel en vruchtbeginsel.
- Tweejarige planten: Planten die ontkiemen en groeien in het eerste jaar, in het tweede jaar bloeien en zaden vormen en daarna sterven.
- Vruchtbeginsel: Onderste deel van de stamper met de zaadbeginsels; groeit na bevruchting uit tot vrucht.
- Voortplantingscellen: Cellen waaruit door bevruchting een nieuw organisme kan ontstaan.
- Windbloemen: Onopvallende bloemen die door de wind worden bestoven.
- Zaadbeginsels: Liggen in het vruchtbeginsel en groeien na bevruchting uit tot zaden.
- Zaadlobben: Eerste blaadjes met reservevoedsel voor de kiem.
- Zaadverspreiding: Verspreiden van zaden door wind, dieren of de plant zelf.
- Zaden: Ontstaan na bevruchting uit zaadbeginsels; zitten in de vrucht.
- Zelfbestuiving: Als het stuifmeel op de bloemen van dezelfde plant terechtkomt.
Alles gelezen? Test jezelf met een paar vragen en kijk wat je al goed begrijpt over paragraaf 5.4!
Meer leren? Wikipedia – Bloemen.