3.1 Bloed | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Waaruit bestaat bloed voor het grootste deel? A. Rode bloedcellen B. Witte bloedcellen C. Uit bloedplasma D. Uit hemoglobine 2. Welke functie heeft het plasma-eiwit fibrinogeen? A. Vorming van rode bloedcellen B. Bloedstolling C. Afweer tegen bacteriën D. Zuurstoftransport 3. Wat is een kenmerk van rode bloedcellen? A. Ze verdedigen tegen virussen B. Ze zijn groter dan witte bloedcellen C. Ze bevatten hemoglobine D. Ze hebben een celkern 4. Wat vervoert bloedplasma NIET? A. Koolstofdioxide B. Afvalstoffen C. Hemoglobine D. Voedingsstoffen 5. Waaruit bestaan bloedplaatjes? A. Delen van uiteengevallen cellen B. Samengeklonterde eiwitten C. Celresten van rode bloedcellen D. Volwaardige levende cellen 6. Wat gebeurt er bij bloedarmoede? A. Te weinig witte bloedcellen B. Te weinig hemoglobine C. Tekort aan bloedplaatjes D. Te veel bloedplasma 7. Wat is de kleur van bloedplasma? A. Rood B. Kleurloos C. Gelig D. Blauwachtig 8. Welk deel van het bloed vervoert zuurstof? A. Witte bloedcellen B. Bloedplaatjes C. Rode bloedcellen D. Bloedplasma 9. Welke cellen hebben géén celkern? A. Rode bloedcellen en bloedplaatjes B. Alleen bloedplaatjes C. Alleen witte bloedcellen D. Witte en rode bloedcellen 10. Waarom kunnen witte bloedcellen door haarvaten heen? A. Omdat ze bloedplasma bevatten B. Omdat ze geen vaste vorm hebben C. Omdat ze kleiner zijn D. Omdat ze chemische signalen volgen 11. Wat is de functie van witte bloedcellen? A. Regulatie van lichaamstemperatuur B. Zorgen voor bloedstolling C. Afweer tegen ziekteverwekkers D. Transport van zuurstof 12. Wat is een eigenschap van hemoglobine? A. Wordt gemaakt door witte bloedcellen B. Kan zuurstof binden en loslaten C. Is alleen actief in de darmen D. Zorgt voor stolling 13. Hoeveel rode bloedcellen zitten er in 1 mm³ bloed? A. Ongeveer 500.000 B. Ongeveer 100.000 C. Ongeveer 5.000.000 D. Ongeveer 50.000.000 14. Wat is het percentage bloedplasma in bloed? A. 55% B. 75% C. 45% D. 60% 15. Wat is waar over witte bloedcellen? A. Ze hebben geen kern B. Ze hebben een vaste vorm C. Ze maken ziekteverwekkers onschadelijk D. Ze vervoeren vooral zuurstof 16. Wat is een functie van het bloed in het lichaam? A. Aanmaken van hormonen B. Transport van stoffen en warmte C. Opslaan van mineralen D. Opbouw van spieren 17. Wat gebeurt er met rode bloedcellen in de longen? A. Ze maken hemoglobine aan B. Ze nemen zuurstof op C. Ze sterven af D. Ze scheiden afvalstoffen uit 18. Wat is het gevolg van te weinig hemoglobine? A. Snelle bloedstolling B. Hoge bloeddruk C. Vermoeidheid D. Slechte afweer 19. Hoe kunnen witte bloedcellen bacteriën bestrijden? A. Ze sluiten ze in en breken ze af B. Ze vervoeren ze naar de nieren C. Ze stoten ze uit via de huid D. Ze neutraliseren ze met zuur 20. Wat gebeurt er als bloedplaatjes hun werk doen? A. De bloeddruk stijgt B. Er ontstaat een stolsel C. De bloedcellen sterven af D. Het bloed wordt dunner 21. Wat gebeurt er met zuurstof in organen? A. Het wordt opgeslagen B. Het wordt gefilterd door bloedplaatjes C. Het wordt afgegeven door rode bloedcellen D. Het verandert in stikstof 22. Welk bestanddeel komt het meest voor in bloedplasma? A. Eiwitten B. Water C. Zouten D. Hemoglobine ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden